Een droom in de kiem gesmoord

Rob Wurms

“Achtenzestig jaar geleden ben ik geboren, in een Joods gezin, in Amsterdam. Krap twee maanden daarna, op 27 maart 1943, werden mijn twee halfzusjes Kaatje en Veronica Wurms samen met hun moeder, Rachel Wurms-Buijtekant, opgepakt. Via Kamp Westerbork werden ze op 30 maart 1943 doorgestuurd naar vernietigingskamp Sobibor. Na drie dagen kwamen ze aan, op 2 april, en werden er, na te zijn beroofd en vernederd, diezelfde dag nog vermoord. Mijn zusje Kaatje was vijftien jaar oud en ze was doof. Veronica was dertien.

Met mijn zusjes en hun moeder is nog een groot aantal leden van mijn familie in Sobibor vermoord. Toen dit proces begon, in het najaar van 2009, nu al weer bijna anderhalf jaar geleden, was ik emotioneel niet goed in staat hun namen voor uw rechtbank uit te spreken. Nu kan ik dat wel en daarom zal ik nu hun namen noemen:

Mijn neef Juda Frank, 29 jaar oud; zijn broer, mijn neef Hartog Frank, 27 jaar oud; zijn vrouw, Flora Frank-Wegloop, 28 jaar oud; hun zoon Meijer Frank, 2 jaar; mijn tante Hendrika Wurms-Neeter, 49 jaar; haar dochter, mijn nichtje Judith Wurms, 10 jaar; mijn tante Lena Wurms-Worms, 33 jaar; haar dochter Clara Wurms, 4 jaar; mijn tante Saartje Frank-Wurms, 35 jaar oud; haar zoon Juda Frank, 6 jaar oud; haar dochter Mietje Anna Frank, 3 jaar oud; mijn grootvader Levie Voorzanger, 58 jaar oud.

Graag, zo graag, had ik ze allemaal gekend. Zo graag was ik met ze opgegroeid en had ik tegen mijn vriendjes kunnen opscheppen over mijn grote zussen. Die droom werd 68 jaar geleden, lang voordat ik hem kon gaan dromen, in de kiem gesmoord.

Soms probeer ik me voor te stellen, ik kan me daaraan niet onttrekken, wat ze hebben moet doorstaan: de angst, de pijn, het verdriet, de verstikking.

Ik ben niet opgegroeid met ze, heb ze niet gekend. Wist überhaupt niet hoe ze eruit zagen. Tot zondag, 17 oktober 2010. Bij de onthulling van een monumentje voor de door de nazi’s vermoorde dove Joodse kinderen ontmoette ik onverwacht Kaatje’s vroegere schoolvriendin. Ze zaten in dezelfde klas van de – niet-joodse, algemene – dovenschool in Amsterdam. Ze liet me een klassenfoto uit 1942 te zien, waarop beiden duidelijk te herkennen zijn. Sindsdien draag ik Kaatjes portret bij me.

Dat klasgenootje, nu een vrouw van in de tachtig, vertelde erbij dat Kaatje een heel vrolijk meisje was en een durfal. Nu, vandaag, voor uw rechtbank, schep ik over haar op. Mijn zusje Kaatje was vrolijk en durfde alles, ondanks haar doofheid. Van Veronica weet ik, tot mijn verdriet, nog steeds heel weinig.

Daarom, om de moord op twee meisjes, kinderen nog, met hun dromen en verwachtingen van het leven dat, dachten ze, nog voor ze lag, om de moord dus op mijn zusjes en mijn andere familie, om de moord op zoveel anderen, vraag ik om veroordeling van verdachte.”