getuigenissen

In de serie Getuigenissen kwamen de volgende deeltjes uit.

1 Selly Andriesse
2 Judith van Geens
3 Kerstmis in Unterriexingen
4 Kurt Thomas
5 Stanislaw Szmajzner
6 Dorohucza
7 De lange schaduw van Sobibor
8 Het leven niet waard
9 Er reed een trein naar Sobibor
10 Een drukker in het getto van Radom

Bij vragen over een publicatie klik hier.

10 – Een drukker in het getto van Radom

Radom-800x715JAENNETTE KLUSMAN
ISBN: 978-90-72486-56-1
Uitgave: Herinneringscentrum Kamp Westerbork
Prijs: 7,95

Deel 10 uit de serie Getuigenissen. In dit boek schrijft freelance journaliste Jeannette Klusman over het getto van Radom, officieel Jüdisches Zwangsarbeitslager Radom. In dit uitzonderlijke kamp, door Jules Schelvis in zijn boek <em>Binnen de Poorten</em> genoemd als een ‘oase in de woestijn, een veilige plaats naast dood en verderf in de wijde omgeving’, heeft Schelvis vier maanden gewoond. Hij werkte er met twee andere Amsterdammers, mensen uit het drukkersvak, in de drukkerij.

In de Holocaustliteratuur komt dit dwangarbeiderskamp slechts in de marge voor (de drukkerij helemaal niet), de bronnen zijn zeer schaars en er zijn nog maar weinig ooggetuigen in leven. Met dit boek wil de Stichting Sobibor bijdragen aan de verspreiding van de kennis over  het Joodse dwangarbeiderskamp Radom, dat zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in het leven van Jules Schelvis. Alle donateurs ontvingen een exemplaar.

9 – Er reed een trein naar Sobibor

Er-reed-een-trein-naar-SobiborJULES SCHELVIS
ISBN: 978-90-72486-50-9
Uitgave: Herinneringscentrum Kamp Westerbork
Prijs: 7,95

“Er reed een trein naar Sobibor. Deze vertrok op 1 juni 1943 vanuit Westerbork, volgepropt met 3006 Joden in vijftig veewagens. Ik was een van hen. Niemand wist wat ons na een enerverende tocht van 72 uur te wachten stond. Dit transport was het veertiende in een reeks van negentien uit Nederland die als eindbestemming Sobibor hadden in het oostelijke deel van Polen. In de periode 2 maart tot 20 juli 1943 werden 34.313 Joden uit Nederland gedeporteerd. Van hen hebben slechts achttien de oorlog overleefd. Een ongekend laag aantal. Na de oorlog bleek dat ik de enige overlevende van mijn transport was.”

Jules Schelvis (1921) publiceerde in 1993 het wetenschappelijk werk ‘Vernietigingskamp Sobibor’. Een aantal jaar eerder was ‘Binnen de Poorten’ reeds verschenen, een autobiografisch relaas over zijn kampervaringen. In 1999 richtte Schelvis de Stichting Sobibor op. Voor zijn wetenschappelijk onderzoek onderscheidde de Universiteit van Amsterdam hem in 2008 met een eredoctoraat.

In dit nieuwe boekje, ‘Er reed een trein naar Sobibor’, vertelt Schelvis gedetailleerd en invoelbaar over het transport naar, en de aankomst in Sobibor.

8 – Het leven niet waard; een geschiedenis van rassenwaan

Het-leven-niet-waard-300x260JANNEKE DE MOEI
ISBN: 978-90-72486-00-4
Uitgave: Herinneringscentrum Kamp Westerbork
Prijs: 7,95

In 2009 gingen twee cliënten van ’s Heeren Loo in Ermelo en hun begeleiders met ons mee op Herdenkingsreis. Zij legden in Sobibor vier stenen voor de twaalf bewoners van ’s Heeren Loo. Deze twaalf bewoners, mensen met een verstandelijke beperking, waren in april 1943 in Sobibor omgebracht.

Dit gegeven was aanleiding voor de Stichting Sobibor om Janneke de Moei te vragen een boekje samen te stellen over de ontwikkelingen in zowel de Duitse als de Nederlandse zorginstellingen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In zijn inleiding schrijft bestuurslid Alwin Kapitein het volgende: ‘Op heldere, ongecompliceerde wijze schetst Janneke de Moei eerst de geschiedenis van het moordprogramma Aktion T4 in Duitsland, een programma dat voortkwam vanuit de ideeën van de eugenetica. In het tweede deel vertelt zij over de strijd van de zorginstellingen in het bezette Nederland. In tegenstelling tot Duitsland werd hier geen ‘euthanasie’ toegepast op de bewoners. Nederlandse instellingen hadden te maken met problemen als gedwongen evacuaties, geld- of plaatsgebrek. Er zijn hoopgevende verhalen over verzet en onderduik in de instellingen. Maar er is helaas ook een verhaal over Sobibor. Want uiteindelijk ontkwam ook in Nederland één groep bewoners van de zorginstellingen niet aan deportatie: de Joden.’

7 – De lange schaduw van Sobibor

JANNEKE DE MOEI
Als deel 7 in de serie Getuigenissen, uitgegeven door de Stichting Sobibor, verscheen in december 2008 het boekje De lange schaduw van Sobibor. Het verhaal van Marion, geschreven door Janneke de Moei. Een fascinerend boekje met een uitstekende titel.
Marion van Straten is geboren in een Joods gezin in Amsterdam in 1942 en zij wordt door haar ouders in het voorjaar van 1943 afgestaan om onder te duiken. Zij komt terecht in een gastvrij gezin in Naaldwijk, groeit daar op, gaat naar school, wordt gereformeerd opgevoed, trouwt en krijgt kinderen … Hoe zo, lange schaduw? Maar toch, heet ze nu Van ’t Riet of Van Straten? Wie is ze eigenlijk en wat is haar ‘echte’ achtergrond?
Het boekje maakt duidelijk dat ook baby’s, die gescheiden worden van hun ouders, trauma’s oplopen, die hen hun hele leven kunnen achtervolgen. Stukje bij beetje ontstaan bij Marion beelden van een verleden, waar zij deel van uitmaakte, maar waarvan ze geen idee heeft. Haar ‘echte’ ouders zijn op 4 juni 1943 vergast in Sobibor…

6 – Dorohucza

JULES SCHELVIS
Dorohucza-300x225Dorohucza is een klein dorp in Oost-Polen, ongeveer halverwege de plaatsen Lublin en Chelm. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was daar aan de rivier de Wierprz een klein concentratiekamp ontstaan waar gemiddeld driehonderd Poolse en tweehonderd Joden uit Nederland op de turfvelden moesten werken. Uit ten minste acht transporten uit Westerbork werden in het vernietigingskamp Sobibor circa tachtig jongemannen – en af en toe ook vrouwen – uitgekozen om in Do-rohucza op de turfvelden te werken. Het kamp werd begin maart 1943 in gebruik genomen. Velen stierven daar na enkele weken aan ondervoeding of uitputting, of werden later tijdens de Aktion Erntefest begin november 1943 in Trawniki vermoord. Twee Nederlandse mannen en de auteur konden als typografen, samen met twintig collega-drukkers uit Warschau, eind juni 1943 dit kamp der verdoemden verlaten, om vervolgens nog in nog andere Poolse en Duitse kampen te moeten werken.

5 – Stanislaw Szmajzner

JULES SCHELVIS

foto gemaakt in 1983 in Hagen door Bert Nienhuis

foto gemaakt in 1983 in Hagen door Bert Nienhuis

Stanislaw Szmajzner werd op 30 maart 1927 in het Poolse Puławy aan de Weichsel geboren, waar voor de Tweede Wereldoorlog ongeveer vierduizend Joden een aanzienlijk deel van de bevolking uitmaakten. Het stadje, dat door de Joden ook wel sjatl werd genoemd, ligt in het district Lublin, halverwege de weg van Lublin naar Radom. Smajzners ouders waren leden van de orthodox-Joodse gemeente. Stanislaw bezocht de Tarbutschool, een onderwijsinstelling waar ook Hebreeuws werd onderwezen. Thuis werd voornamelijk Jiddisch gesproken. Tezelfdertijd kreeg hij van een vriend onderricht in het vak van goudsmid, omdat hij daarin meer geïnteresseerd was dan in de werkzaamheden van zijn vader Josef, die hem liever naar het gymnasium had zien gaan. Zijn vader was eigenaar van een paar fruitwinkels in de stad. Lees verder »

4 – Kurt Ticho; overlevende van Sobibor

JULES SCHELVIS

Kurt Thomas (Kurt Ticho)

Kurt Thomas (Kurt Ticho)

Deze vierde uitgave in de serie Getuigenissen is gewijd aan Kurt Ticho, een Tsjechische overlevende van het vernietigingskamp Sobibor. Op de dag van de heroïsche opstand die op 14 oktober 1943 onder de Arbeitsjuden plaatsvond kreeg hij van de kleine groep van ingewijden, het zogeheten Ondergrondse Comité, een taak toebedeeld, die paste in de voorbereidingen die tot de opstand hebben geleid. De Stichting Sobibor heeft uit de 47 overlevenden van deze opstand Kurt Ticho bereid gevonden om binnen de beperkte ruimte die deze reeks biedt, aan zijn wederwaardigheden in beknopte vorm bekendheid te geven. Hij was één van de weinigen die als 28jarige in Sobibor ouder was dan vele anderen. Als gymnasiast had hij een gedegen opleiding genoten en heeft al direct na de oorlog uitvoerige berichten geschreven over zijn tocht naar – en zijn aanwezigheid in – Sobibor. De rechters in het Sobiborproces in de Duitse stad Hagen vonden hem een betrouwbare getuige, ‘omdat hij alleen wilde getuigen over gebeurtenissen, waarvan hij uit eigen ervaring kennis droeg.’
Het eerste bericht van tien kantjes schreef hij op 3 september 1946 aan het Nederlandse Rode Kruis als een hommage aan zijn in Sobibor tijdens de opstand omgekomen vriendin Minny Kats uit Haarlem. In 1948 emigreerde hij naar de Verenigde Staten van Amerika en werd in 1953 Amerikaans staatsburger. Daar veranderde hij zijn achternaam Ticho in Thomas. Onder de naam Ticho schreef hij enige jaren geleden een in het Engels nog uit te geven boek, waarin hij gedetailleerd ingaat op zijn belevenissen. Lees verder »

3 – Kerstmis in Unterriexingen

JULES SCHELVIS

De Liebefrauenkirche in Unterriexingen

De Liebefrauenkirche in Unterriexingen

Dertien jaar geleden, in 1992, wilden mijn vrouw Jo en ik op een mooie zomerse dag tijdens een vakantie in Duitsland, ons eens rustig de tijd nemen het voormalige concentratiekamp Unterriexingen en zijn omgeving, niet ver van Stuttgart, te verkennen. Zij wilde weten wat voor werk ik in 1944 daar gedurende vijf maanden heb gedaan. Voorbij Bietigheim stopte ik de auto bij de brug over de Enz, een zijrivier van de Main. Van daar liepen we de weg omhoog naar het dorp Großsachsenheim. Op de plaats waar ik enige tijd op een vliegveld had moeten werken genoten wij nu van het golvende landschap. Een enkele keer groetten fietsers ons met een kort Grüss Gott. Teruggekeerd bij de brug liepen we in oostelijke richting langs de rivier. Links van de weg groeiden druiven in etagebouw langs de berghellingen. Tot honderden meters diep in de berg heb ik daar met tientallen andere gevangenen in de stollen, zoals wij de onderaardse gangen noemden, gewerkt. Deze waren bedoeld om vliegtuigen van het nabijgelegen Großsachsenheim, via liften in de stollen tegen bombardementen te parkeren. Het werk werd, de oorlog liep ten einde, nooit voltooid.
Met moeite kon ik nog één van beide overwoekerde ingangen herkennen. We gingen op een bank aan de oever van de rivier zitten, aten een boterham terwijl ik Jo uitvoerig vertelde wat ik in en om de stollen, de voor werk heb gedaan. Aan een paar oude wijnboeren uit de omgeving vroeg ik of zij van het bestaan en het doel daarvan wisten. Ze haalden hun schouders op. ‘Stollen, hier in de berg? Nooit van gehoord.’ We liepen terug naar de brug en reden vervolgens naar het dorpje Unterriexingen. Na een paar honderd meter zagen wij de eerste huizen en boerderijen. Het was middag geworden. De inwoners van het dorp, in de oorlog telde het zeshonderd zielen, deden een slaapje, want op een paar kinderen na was er verder niemand te zien; de winkels waren gesloten.
Even voor we het dorp verlieten kruisten we een straat, de Liebefrauenweg. Een paar honderd meter hogerop ligt daar in de verte de Liebefrauenkirche. Lees verder »

2 – Ik ben er voor in de plaats gekomen

JANNEKE DE MOEI

Judith van Geens
*Amsterdam 8 januari 1943
†Sobibor 11 juni 1943

Toen op 5 september 1999 in Vught het gedenkteken voor de weggevoerde joodse kinderen werd onthuld, kon Judith Waterman daarbij niet aanwezig zijn, tot haar teleurstelling èn opluchting. Een goede vriend was wèl gegaan en had foto’s genomen van het monument. “Ik heb iets bijzonders voor je” zei hij, “de naam van je zusje staat op het monument”. Lees verder »

1 – Verslag van een pelgrimage naar Sobibor

TOON VAN KALMTHOUT

vrouw met kind in haar armen: monument in Sobibor

vrouw met kind in haar armen: monument in Sobibor

Selly Friedel Andriesse
* Gennep 1 juli 1932
† Sobibor 11 juni 1943.

Tijdens Wereldoorlog II reisde ik iedere dag van mijn woonplaats Gennep naar Nijmegen, waar ik school ging. Vaak maakten we die reis met een stoomtrammetje. Het was gewoonte dat een bepaalde coupé van het trammetje gereserveerd was voor de schoolgaande jeugd, het zo genaamde hokje. Het hokje bood plaats aan zes personen, maar vaak zaten we er met een veel groter aantal. Gedurende een bepaalde tijd in 1942/43 was ook een klein meisje, genaamd Selly, een mede-passagiere van het hokje. Zij was 10 jaar, de lagere school te Gennep was voor haar verboden terrein, omdat ze jodin was. Ze moest naar Nijmegen, naar de zgn. Judenschule. Ze was mooi, had een lief gezichtje; ik herinner me ook nog haar pijpenkrulletjes, daar trok ik wel eens aan, om haar een beetje te plagen. Toch kan ik me haar niet meer scherp voor de geest halen: het is net of ik door een bewasemde ruit of naar een onscherpe foto kijk. Ze zei niet veel en misschien interpreteer ik achteraf door te zeggen de indruk te hebben, dat ze bij ons, “grotere” jongens van 14 jaar, bescherming zocht.
Op een dag was ze er niet meer. Lees verder »