Judith van Geens

Ik ben er voor in de plaats gekomen

Deel 2 van de serie Getuigenissen opgetekend door Janneke de Moei

Judith van Geens
*Amsterdam 8 januari 1943

†Sobibor 11 juni 1943

Kindermonument in Vught

Toen op 5 september 1999 in Vught het gedenkteken voor de weggevoerde joodse kinderen werd onthuld, kon Judith Waterman daarbij niet aanwezig zijn, tot haar teleurstelling èn opluchting. Een goede vriend was wèl gegaan en had foto’s genomen van het monument. “Ik heb iets bijzonders voor je” zei hij, “de naam van je zusje staat op het monument”. Judith was geschokt; de naam van haar zusje……en toen zij de foto zag met de naam op het monument, haar eigen naam, raakte zij in verwarring. Het stond er echt: Judith van Geens. Later ging zij zelf naar Vught. Haar eerste gedachte was dat kan niet, dat is niet waar. Daarna als zij haar rijbewijs of paspoort pakte moest zij er steeds aan denken dat die naam op het monument staat. “Mijn naam, ik moest daar heel erg over nadenken. Natuurlijk wist ik van dit kindje, al werd er thuis niet veel over gesproken. Nooit werd haar naam genoemd. Het was nooit kleine Judith of baby Ju-dith, het was het kind of het zusje. Ik wist wel dat ik naar haar genoemd was, en ik vond dat wel raar, maar ook daar werd niet over gepraat.”

uit het trouwboekje van David en Keetje

Judith is geboren in een tijd en plaats vol spanning en angst, 8 januari 1943 in de Rapenburgerstraat in Amsterdam. De deportaties van joden naar Duitsland en Polen zijn dan in volle gang. Haar ouders, David van Geens en Keetje van Lochem, hebben de rugzakken klaar staan. Veel mensen om hen heen zijn al weg en de komst van hun baby vergroot hun zorgen.

Dan worden ook zij ’s avonds opgehaald en naar de Hollandsche Schouwburg gevoerd. Die is niet berekend op zoveel mensen, het is er lawaaiig en vuil. Bijna drie weken zitten David en Keetje op een stoel. Kleine Judith is aan de overkant in de crèche. Een paar maal per dag mag haar moeder naar haar toe om haar te voeden.
Op 24 februari moet het gezin verder, naar Vught. Hier worden zij direct gescheiden; David naar het mannenkamp, hij wordt tewerkgesteld in de kleermakerij. Keetje en haar baby komen in de barak voor moeders met kleine kinderen. De situatie in Vught is slecht. David schrijft aan zijn zusters in Amsterdam, die gemengd gehuwd zijn, en vraagt dringend om eten: “Onze maag rammelt iedere dag en wij verlangen naar een stukje brood. Stuur ons brood!”
Voor jonge moeders is het kampleven in Vught heel moeilijk. Er zijn onvoldoende kinderbedjes, er is geen babyvoeding en het wasgoed hangt tussen bedden en droogt vaak nauwelijks. Veel kleintjes worden ziek.
Dan komt, zoals David later schrijft, de dag der verschrikking, 6 juni 1943. “’s Morgens vroeg staan de vrouwen en kinderen in de stromende regen op de appèlplaats om weggevoerd te worden. De mannen staan er verslagen bij, op een afstand natuurlijk. Je weet wel dat als je te dichtbij komt, word je geslagen of voor de ogen van de vrouwen neergeschoten. Wel probeerden wij om mee te kunnen gaan. Op onze knieën hebben wij bij de poort gesmeekt, maar niets mocht baten.”
Een maand later stuurt hij illegaal een brief aan zijn zuster: “Ik heb nog steeds niets van mijn lieve vrouw en kind gehoord. Je kan wel begrijpen dat ik met de dag meer en meer naar ze verlang. Maar ik weet dat ik me flink moet houden om ze na de oorlog terug te zien. Mijn dochter is nu al zeven maanden oud, als ik haar terugzie zal zij vast al “pappa” zeggen.
In de brief vraagt hij zijn zuster om een foto van Keetje, zodat hij haar toch een beetje bij zich heeft. De brief is gedateerd op 13 juli 1943. Dan heeft Keetje van Geens-van Lochem met haar baby Judith al de lange en vreselijke reis naar Sobibor gemaakt. Daar zijn zij op de dag van aankomst omgebracht, op 11 juni 1943.

de ouders van Judith van Geens

David en zijn jongere broer Jaap blijven tot 20 september 1943 in Vught. Met een gewone trein gaan zij naar Westerbork en de volgende dag moeten zij door naar Polen, naar Auschwitz. Zij worden geregistreerd en tewerkgesteld in het buitencommando Monowitz.
Zij moeten hard werken en lijden voortdurend honger. In mei 1944 wordt Jaap teruggestuurd naar Auschwitz. David denkt om op te knappen, maar hij ziet zijn broer niet meer terug.
Midden januari 1945 naderen de Russische legers het kamp. Alle gevangenen behalve de zieken moeten weg, naar andere kampen. Lopend of in open treinwagons. Velen sterven door kou en uitputting. David komt in het kamp Buchenwald en later moet hij weer verder naar Langenstein, waar hij weer hard moet werken. Midden april moeten de gevangenen ook daar weg vanwege de Amerikanen.
Overal in Duitsland trekken groepen gevangenen voor de legers uit. Ten slotte komt David met enkele anderen totaal vermagerd en uitgeput bij een Amerikaanse post; zij worden ontluisd en krijgen schone kleren. Ze zijn vrij.

Eindelijk terug in Amsterdam vindt hij daar alleen zijn twee zusters terug. Van zijn vrouw en dochtertje hoort hij niets. Zij vader en moeder zijn omgekomen, evenals alle andere broers en zusters.
Al spoedig ontmoet hij Esther Flora, een goede vriendin van zijn oudste broer. Esther was in 1940 gemengd gehuwd en kreeg een zoon. Toen in de oorlogsjaren haar man onbetrouwbaar bleek te zijn is zij met haar zoontje weggegaan en ondergedoken in Friesland. Na de oorlog is zij van hem gescheiden.
David en Esther kunnen trouwen als vastgesteld is dat Keetje van Lochem is omgebracht. Zij krijgen en kind, een dochter. “Wij noemden haar Judith, weer een Judith.”
David wil een groot gezin, maar Esther durft dat niet aan, bang als zij is dat er weer een tijd komt dat kinderen worden afgenomen en weggevoerd.

Na de oorlogsjaren proberen zij een nieuw bestaan op te bouwen. David is kleermaker en werkt van de vroege morgen tot de late avond, thuis in een klein kamertje. Zijn vrouw helpt hem daarbij. In de woonkamer staan de foto’s van Keetje en Joop en andere omgekomen familieleden. Over kleine Judith wordt weinig gesproken. Judith weet wel wat er met haar gebeurd is. “‘t Is vermoord” zei mijn vader, “mijn vrouw en mijn kind zijn vermoord.”
De kleermakerij groeit uit tot een atelier, waar mensen werken die tijdens de oorlog ook in de kampen waren. Voor hen had David altijd werk. Het gezin verhuist naar een grote woning. Beneden komt het atelier, daarboven wonen zij en de zolder wordt speelruimte voor Judith.

“Ik kom uit een warm gezin en ik heb een geweldige jeugd gehad. Wel heel beschermd, want er mocht natuurlijk niets gebeuren. Toen ik heel klein was nam mijn moeder zelfs een meisje in huis om op mij te passen. Mijn ouders werkten thuis, om dicht bij mij te zijn. Later ben ik dat zo gaan begrijpen, als kind weet je dat niet. Er moest altijd op mij gelet worden. Ik mocht nooit alleen op straat spelen. Mijn broer kreeg een fiets, maar ik mocht niet fietsen. Ik mocht iedereen uitnodigen die ik wilde en vriendjes en vriendinnetjes speelden altijd bij ons. Maar ik mocht liever niet bij andere kinderen spelen of ik moest gebracht en gehaald worden. Later mocht ik ook niet met vriendinnen naar de bioscoop, er moest altijd iemand van thuis mee. Ik vond dat toen heel gewoon, maar ik ben eigenlijk in een gouden kooitje opgevoed. Mijn ouders deden alles voor mij: als ik iets in een winkel zag dat ik wilde hebben, kreeg ik het. Een keer had ik strafwerk, mijn moeder maakte het en toen ik van school af wilde, was dat goed. Nu denk ik wel eens: het zusje was er niet. Het lijkt wel of zij mij alles dubbelop gaven, ook liefde. Vooral de band met mijn vader was altijd heel hecht. Toen hij na jaren werken een terugslag van de oorlog kreeg, was ik de enige die hem uit de put kon halen.”
Maar alle liefde en warmte kunnen Judith niet beschermen tegen de afschuwelijke en ingrijpende oorlogservaringen van haar vader.

“Hij praatte heel veel over wat er gebeurd was in de kampen. Ik ben opgegroeid met concentratiekampen. Dat kon niet anders. Al zijn vrienden waren mensen met kampervaringen. Ik zat in de hoek van de kamer met mijn poppen en ik hoorde alleen maar over Auschwitz en de oorlog, over al die vreselijke dingen. Ik was net een spons, ik nam het allemaal op. Ik wist alles van gaskamers en ook wat ze wel met baby’s deden.
Mijn broer kon het beter dan ik “van zich afzetten”. Die pakte een boek of ging naar buiten, maar ik was net een spons. Mijn broer begreep dat later wel en zei dan “kom op, we gaan leuke dingen doen.” Pas later heb ik veel last van al die verhalen gekregen en heb het mijn ouders ook verweten. Daar zijn zij heel erg van geschrokken. Ik heb hulp gezocht en kwam in een groep waar iedereen op zijn beurt zijn verhaal kon vertellen. En weer hoorde ik verschrikkelijke dingen Het was allemaal zo erg. Ik praatte daar ook niet, ik luisterde, dat was ik gewend.”

Judith en haar man Joop maakten om de twee jaar met vele anderen her-denkingsreizen naar Polen. “Ik vroeg mijn vader, wil je een keer met ons mee naar Polen. Ik zou het geweldig vinden met jou daar te lopen.” Maar hij had altijd excuses. “Met jou ga ik niet naar Auschwitz” zei hij tenslotte. Pas toen hij overleden was begreep ik uit zijn papieren dat hij bang was om met mij naar Polen te gaan, bang dat ik daar óók achter zou blijven. De angst om mij te verliezen is hem, denk ik, altijd bijgebleven.
Ik vraag me vaak af, hoe kan je een nieuw kind noemen naar een kindje dat vergast is. Ik heb hem die vraag nooit gesteld. Dat durfde ik niet en dat doe je ook niet. Mijn vader heeft zoveel meegemaakt.
Ik heb het verdriet van mijn vader altijd gevoeld. Mijn rugzakje, dat draag ik mee, mijn leven lang. Altijd komt het weer terug op dat ene zusje. Ik begrijp er niets van.
Nee, ik heb nooit het gevoel gehad dat ik een zusje had. Dat zusje, dat was iets van mijn vader, denk ik. Ja, dat was van mijn vader. Pas later ben ik meer aan het kind gaan denken en na mijn vaders’ overlijden heb ik voor het eerst zijn brieven gelezen en ben opnieuw over zijn leven gaan denken. Mijn vader heeft heel veel bewaard, allemaal documenten. Maar over het kindje is er niets. Misschien was het verdriet voor hem te groot. Zij was vier weken oud toen zij naar Vught moesten. Of hij haar daar nog gezien heeft?
Hij heeft mij ervoor terug gekregen. Ja, ik denkt het wel, ik denk dat het zo is.”

Judith Waterman

“Bij de herdenking in Vught op 6 juni 2004 zag ik het monument weer. Ik ben er eerst niet naar toe gelopen, maar er ver vandaan gaan zitten. Toen ik het beertje en dat tolletje zag, was ik daar diep van onder de indruk. Na afloop van de herdenking liepen Joop en ik naar het monument. Een beetje bovenaan vonden we haar naam.
Opeens had dat kindje een naam, Judith van Geens.
Niets is bewaard van het kleine zusje, er is van haar zelfs geen foto, niks, gewoon weg van de aardbodem. Het enige wat aan haar herinnert is de naam in Vught. Nu heeft ze een naam, dacht ik, en daar ben ik blij om.
Zij is mijn zusje.”

Janneke de Moei
april 2005