Kerstmis in Unterriexingen

Kerstmis in Unterriexingen

Deel 3 van de serie Getuigenissen door Jules Schelvis

De Liebefrauenkirche in Unterriexingen

Dertien jaar geleden, in 1992, wilden mijn vrouw Jo en ik op een mooie zomerse dag tijdens een vakantie in Duitsland, ons eens rustig de tijd nemen het voormalige concentratiekamp Unterriexingen en zijn omgeving, niet ver van Stuttgart, te verkennen. Zij wilde weten wat voor werk ik in 1944 daar gedurende vijf maanden heb gedaan. Voorbij Bietigheim stopte ik de auto bij de brug over de Enz, een zijrivier van de Main. Van daar liepen we de weg omhoog naar het dorp Großsachsenheim. Op de plaats waar ik enige tijd op een vliegveld had moeten werken genoten wij nu van het golvende landschap. Een enkele keer groetten fietsers ons met een kort Grüss Gott. Teruggekeerd bij de brug liepen we in oostelijke richting langs de rivier. Links van de weg groeiden druiven in etagebouw langs de berghellingen. Tot honderden meters diep in de berg heb ik daar met tientallen andere gevangenen in de stollen, zoals wij de onderaardse gangen noemden, gewerkt. Deze waren bedoeld om vliegtuigen van het nabijgelegen Großsachsenheim, via liften in de stollen tegen bombardementen te parkeren. Het werk werd, de oorlog liep ten einde, nooit voltooid.
Met moeite kon ik nog één van beide overwoekerde ingangen herkennen. We gingen op een bank aan de oever van de rivier zitten, aten een boterham terwijl ik Jo uitvoerig vertelde wat ik in en om de stollen, de voor werk heb gedaan. Aan een paar oude wijnboeren uit de omgeving vroeg ik of zij van het bestaan en het doel daarvan wisten. Ze haalden hun schouders op. ‘Stollen, hier in de berg? Nooit van gehoord.’ We liepen terug naar de brug en reden vervolgens naar het dorpje Unterriexingen. Na een paar honderd meter zagen wij de eerste huizen en boerderijen. Het was middag geworden. De inwoners van het dorp, in de oorlog telde het zeshonderd zielen, deden een slaapje, want op een paar kinderen na was er verder niemand te zien; de winkels waren gesloten.
Even voor we het dorp verlieten kruisten we een straat, de Liebefrauenweg. Een paar honderd meter hogerop ligt daar in de verte de Liebefrauenkirche.
We reden verder westwaarts tot we in de buurt van het voormalige kamp een bord met de tekst KZ-Friedhof Unterriexingen zagen.We liepen schuin de helling op naar de plaats waar het voormalige kamp lag. Een hek gaf piepend toegang tot een slecht onderhouden kleine gedenkplaats met als middelpunt een eenvoudig monument met in zandsteen een niet geheel correcte tekst.
De Joden die het kamp bevolkten kwamen uit het Poolse Radom, onder hen waren drie Nederlanders, Joop Wins, Leo de Vries en de schrijver van dit artikel. Wij waren gedrieën in Sobibor de dood ontsprongen. Via andere kampen als Dorohucza, Lublin en Radom werden we vanuit de laatste plaats geëvacueerd om de aanstormende sovjetlegers voor te zijn. Via Auschwitz en Vaihingen waren we in Unterriexingen terechtgekomen.
In een document waar de bouw en bijzonderheden over het kamp worden genoemd schreef een SS-man onder meer:
‘Op 7 november 1944 heb ik het kamp bezichtigd. Er is een barak klaar die kan worden betrokken; normaal voor 400 gevangenen, het kunnen er ook wel 550 worden. Een tweede is nog in aanbouw. Er is een provisorische wasgelegenheid in gedachten, een wasbarak staat op het programma en een barak waar men zijn behoefte kan doen. De omheining is drie meter hoog. Aan twee hoeken staan torens, waaruit het kamp met schijnwerpers wordt belicht. Buiten het kamp is een barak voor de bewaking. Er wordt met een bezetting van vijfhonderd gevangenen rekening gehouden, maar zal op den duur meer dan duizend bedragen. Voor de bewaking zijn één Duitser en veertig bewakers nodig.’
Toen ik november 1944 in Unterriexingen terechtkwam had ik
het meedogenloze en onmenselijke Duitse regime in volle omgang aan den lijve ondervonden en wist ik van de massamoorden in Auschwitz en Sobibor.
De reden dat ik vanuit Vaihingen naar Unterriexingen werd gestuurd was de omzetting van het concentratiekampen Vaihingen in een zo genoemd Erholungslager, dat in hoofdzaak voor ernstige niet-Joodse zieken uit andere kampen was bedoeld onder het motto: de Joden eruit en niet-Joden erin.
Unterriexingen was een klein kamp. Aan de voet van één van de twee wachttorens, waar soldaten de gebeurtenissen in het kamp konden volgen, was een latrine – of abort – aangebracht, die niet meer was dan een houten optreksel met een open voorkant, van boven afgedekt met een golfplaat. De opvang zelf bestond uit een kuil. Daarboven hing een balk, waarop vier personen konden zitten. Het was de enige plaats waar de vijfhonderd gevangenen gebruik van moesten maken.
In het kamp was geen stromend water. Het moest met auto’s uit Vaihingen worden aangevoerd. Omdat iedere sanitair ontbrak was het duidelijk dat het kamp een voedingsbodem voor ziekten werd. In korte tijd stierven daar meer dan eenderde van de populatie. De commandant was een uit Roemenië afkomstige Scharführer, die met enkelen van zijn kompanen uit Radom was meegekomen. Buiten de omheining bevond zich een kleine appelplaats met een houten vlonder waarop de commandant plaats nam met een pose alsof hij de bevelhebber van het leger was.
Na het appel snelde ik met hoge nood naar het abort. Mijn versleten houten kleppers en de pijpen van mijn broek zaten al, voor ik het had bereikt dik onder de drek en de modder. Rondom lag al een hoop viezigheid, want sommigen hadden, voor ze de balk hadden kunnen bereiken, hun behoeften al laten lopen. Nog voor ik op de balk zat bleven mijn houten kleppers al in de drek steken. Omdat ze, hoe primitief ook, onmisbaar waren was ik wel genoodzaakt ze mee te nemen.Ik bleef zo lang mogelijk zitten, omdat het een plaats was waar de bewakers niet durfden te komen. Zij pasten er wel voor om onder de stront te raken. Het spetterde in de kuil, omdat vrijwel iedereen dysenterie had, een ziekte waar je aan gewend was geraakt en waarmee je, tot je echt niet meer kon, bleef doorlopen. Papier was er niet om je te reinigen. Daarvoor gebruikte ik, zoals alle anderen, mijn linker middelvinger. Om deze voor dit doel vrij te houden deed ik alles zoveel mogelijk met mijn rechterhand. Eenmaal klaar om plaats te maken voor de volgenden, vloog ik de barak in. Met mijn blote voeten en broek vol stront en met kleppers in de hand zocht ik Leo. Wij vonden nog net naast elkaar twee hoge britsen, zodat we als bovenste slapers geen last zouden krijgen van de luizen van onze onderbuurmannen.
Ik had inmiddels begrepen dat Unterriexingen, ook zonder gaskamers, een dodenkamp was.
Unterriexingen was uitsluitend ingericht om op drie plaatsen buiten het kamp te werken: op het vliegveld Grosssachsenheim, een steengroeve en aan de stollenbouw langs de Enz.

Vanuit het kamp kon ik op enige honderden meters afstand de torenspits van een kerk zien. Soms bleef ik er een poosje naar staren en dacht aan de mannen en vrouwen die daar devoot tot de Jood Jezus Christus baden: geef ons heden ons dagelijks brood. Het is de vraag of ze tijdens het bidden ooit aan ons, die zo dichtbij waren, hebben gedacht.
Met sterk bevuilde en stinkende kleren probeerden we onder een luizige deken wat te gaan slapen. De volgende morgen om half zes werd appel geblazen. Na een homp brood en wat bruin vocht werden we in groepen verdeeld om buiten te werken. Onder strenge bewaking liepen we op weg in de richting van het dorp. We bereikten de dorpsstraat, waar we langs huizen en boerderijen liepen. De bewoners zagen een vreemde colonne in streepjeskleren voorbijgaan. Sommigen van hen schudden het hoofd. Wat zouden ze wel gedacht hebben? Dat we gevangenisboeven waren die gedwongen moesten werken, of misschien wel Joden, die ze voor het eerst in hun leven zagen? We waren sterk ondervoed en zagen er in onze vodden potsierlijk en verwaarloosd uit; ook waren we niet geschoren. Hoe konden ze weten dat we in geen maanden kam en scheermes hadden aangeraakt? Misschien leken we wel op de Joden, die wekelijks in het hetzeblad van de nazi=s, Der Stürmer, stonden afgebeeld.
Na ongeveer drie kilometer staken we de rivier de Enz over en liepen verder links met een bocht mee de weg omhoog. Aan onze rechterhand passeerden we een steengroeve en bereikten na een half uur lopen het vliegveld. Het eerste wat mij opviel was een stenen gebouw en een paar houten barakken aan de rand van de startbaan. Op het dak zag ik een opvallend rood kruis. Ik dacht meteen aan de meldingen in kranten waar herhaaldelijk sprake was van het gooien van bommen op ziekenhuizen. Nu wist ik uit eigen waarneming hoe dat kwam.

We kregen opdracht om graaf- en drainagewerkzaamheden te verrichten en stenen te splijten voor een tweede landingsbaan en voor een nieuwe weg langs het vliegveld. Het regende de godganse dag.
De temperaturen in november lagen even boven het vriespunt. Doorweekt en koud kwam ik in het kamp terug en schoot de barak in. Eindelijk een dak boven mijn hoofd. Maar er was geen brandstof voor de kachels om mijn kleren te drogen. Ik trok alles uit en kroop op mijn brits, in de hoop dat de volgende morgen mijn kleren een beetje opgedroogd zouden zijn. Deze dag was van alle dagen die ik in de kampen was geweest de meest verschrikkelijke. Ik heb mannen van ellende zien janken. Dit was moord, zonder dat iemand er maar een poot voor hoefde uit te steken. Dit was werkelijk Vernichtung durch Arbeit. Binnen een paar dagen bezweken tientallen aan longontsteking. Honderden zouden nog de komende maanden volgen.

Een paar dagen voor kerstmis was er veel sneeuw gevallen, waardoor de schuin omhoog lopende weg naar de Frauenkirche onbegaanbaar was geworden. De sneeuw lag minstens veertig centimeter dik. Voor de gelovigen van Unterriexingen was het onmogelijk de kerk te bereiken en daar de geboorte en aanbidding van het Christuskind te vieren. De in opbouw verkerende kerststal kon niet worden voltooid. Dan maar thuis blijven, daar de kerstboom optuigen met gekleurde ballen en witte engeltjes en zich tijdens het kerstfeest om de kachel heen te scharen.
Maar de priester had een oplossing bedacht. Hij zocht contact met de kampcommandant en deed een beroep om de kerkgang voor zijn gemeente mogelijk te maken. Er waren toch genoeg Joden in het kamp om de weg erheen sneeuwvrij te maken? De commandant had er geen enkel probleem van gemaakt. In tegendeel. Hij wilde op de Unterriexinger burgers een goede indruk achter laten.
Er werd een ploeg van twintig mannen geformeerd waartoe ook ik behoorde. Wij hadden maar te doen was ons bevolen werd. In onze schamele kleding en met een voortdurend hongergevoel marcheerden wij in een sneeuwbui en bij snijdende kou met dunnen houten kleppers langs de schoongeveegde hoofdweg naar de kruising van de Frauenkirchweg.
Zoals altijd in de kampen en onderweg had ik een pannetje en lepel bij me. Het pannetje hing, waar ik ook was, met een touwtje om mijn middel. Ik rekende erop dat ik voor dit speciale werk wel wat eten en drinken zou krijgen. Bij de Kirchenweg aangekomen stapte ik diep in de sneeuw. Na enige tijd had ik door de ijzige kou geen gevoel meer in mijn vingers. Wie had geloofd dat we na enige tijd iets warms te drinken zouden krijgen kwam bedrogen uit. In tegenstelling tot de warm geklede en goed doorvoede bevolking die dit werk had moeten doen droeg ik slechts een dunne broek en een gehavend jasje en was blauw van de kou. Ik had ’s morgens voor mijn vertrek uit het kamp mijn hele dagrantsoen, een klein stukje brood gegeten. Wij begonnen vol ijver te werken, niet om de kerk en de SS ter wille te zijn, maar omdat wij door ons te bewegen wat warmte konden ontwikkelen. De inheemse bevolking was nergens te bekennen. Het is niet uitgesloten dat het hun verboden was daar aanwezig te zijn. Een gevoel van leedvermaak maakt zich van mij meester omdat ook de SS’ers in de vrieskou stonden. Maar zij droegen beschutte kleren, waterdichte laarzen, handschoenen en oorwarmers. Alleen werden we niet tijdens het werk geslagen. De priester en de koster kwamen af en toe kijken hoe ver we waren gevorderd.
Het sneeuwruimen duurde enige uren. De ganse tijd kregen we niets te eten of te drinken. De SS’ers kregen daarentegen dampende soep die door de koster was klaargemaakt. Wij zagen dat ze er zichtbaar van genoten. Ik probeerden iemand een restje van zijn soep in mijn pannetje over te laten gieten. Maar vergeefs. Ze slurpten tot de laatste teug hun soldatenpannetje leeg of gooiden het restje demonstratief in de sneeuw. Hoe is het mogelijk dat mensen ons in deze positie zo hebben kunnen laten lijden. ‘Hebt uw naasten lief’ staat in de bijbel, maar dat gold niet voor de nazi’s.
Het was een niet te verdragen belediging die wij ons moesten laten welgevallen.
Tegen het einde van de dag keerden wij dorstig en hongerig naar het kamp terug, nadat wij nog een laatste poging hadden gedaan. We werden uitgelachen. Ze zeiden dat we maar eens aan hun kameraden aan het front moesten denken die ver van huis in de sneeuw crepeerden. Zelfs de geestelijkheid kwam niet op de gedachte ons wat te drinken te geven voor het werk dat we hadden verricht. Het Erbarme-Dich-mein-Gott zoals het in de Matthäus Passion klinkt waren woorden zonder betekenis. Evenals de woorden uit Matthäus 25, verzen 42 en 46: ‘Want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij niet te eten gegeven. Ik ben dorstig geweest en gij hebt mij niet te drinken gegeven.’ Maar ook: ‘En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.’
Hoe kon de priester zijn gemeente later nog onder ogen komen. Opnieuw moest ik vaststellen dat tussen het belijden van godsdienst en de dagelijkse praktijk een levensgroot verschil bestaat.

Het werd januari 1945 en volgens de geruchten had het Duitse leger een tegenoffensief ingezet in de Ardennen. Maar ondanks dat stonden de geallieerde troepen in maart al aan de Rijn, ongeveer honderd kilometer bij ons vandaan. Als ze zouden doorstoten was de bevrijding slechts een kwestie van tijd; misschien wel van dagen. Tenzij de moffen van plan waren ons, zoals ze dat eerder in Radom deden, te evacueren. Als dat zo zou zijn, waarheen dan wel? Om nog ergens te moeten werken? Je hoefde geen strateeg te zijn om te weten dat heel Duitsland bezet zou worden. Als we al in het kamp zouden blijven was het de vraag of je er uit kwam. Er werd gezegd dat Himmler bevel had gegeven geen enkele gevangen Jood in concentratiekampen levend in handen van de vijand te laten vallen. Al was het einde van de oorlog in zicht, het was mogelijk dat je op het laatste ogenblik, nog voor de bevrijding, kon sterven. Onze hoop was gevestigd op een plotselinge ineenstorting van het Derde Rijk door de dood van Hitler, zodat noodlottige maatregelen niet meer genomen konden worden. Maar het was realistischer rekening te houden met de mogelijkheid, dat Duitsland niet zou capituleren, ondanks de grote overmacht van de alliantie.
Uiteindelijk werd ik in Vaihingen an de Enz door het Franse leger op 8 april 1945 bevrijd.

Toen mijn vrouw en ik in 1992 van vakantie terug kwamen legde ik de laatste hand aan mijn boek Vernietigingskamp Sobibor. Het moest het jaar daarop verschijnen omdat het toen vijftig jaar geleden was dat de heldhaftige opstand in Sobibor had plaatsgevonden. Voor het gedrukt zou worden verzocht prof. dr. Loe de Jong de proeven aan hem voor te leggen, voor hij toezegde het eerste exemplaar in Westerbork in ontvangst te willen nemen. Zijn gewaardeerde opmerkingen heb ik nog met medewerking van de uitgever kunnen aanbrengen.

Jules Schelvis