Stanislaw Szmajzner

Deel vijf uit de serie Getuigenissen: Stanislaw Szmajzner

foto gemaakt in 1983 in Hagen door Bert Nienhuis

Stanislaw Szmajzner werd op 30 maart 1927 in het Poolse Puławy aan de Weichsel geboren, waar voor de Tweede Wereldoorlog ongeveer vierduizend Joden een aanzienlijk deel van de bevolking uitmaakten. Het stadje, dat door de Joden ook wel sjatl werd genoemd, ligt in het district Lublin, halverwege de weg van Lublin naar Radom. Smajzners ouders waren leden van de orthodox-Joodse gemeente. Stanislaw bezocht de Tarbutschool, een onderwijsinstelling waar ook Hebreeuws werd onderwezen. Thuis werd voornamelijk Jiddisch gesproken. Tezelfdertijd kreeg hij van een vriend onderricht in het vak van goudsmid, omdat hij daarin meer geïnteresseerd was dan in de werkzaamheden van zijn vader Josef, die hem liever naar het gymnasium had zien gaan. Zijn vader was eigenaar van een paar fruitwinkels in de stad.
Naast het huishouden stond zijn moeder Bessla haar man terzijde. Zijn oudere getrouwde zuster Ryfka werkte ook bij zijn vader, terwijl zijn broertje Moisje nog op school zat. Zijn vrijgezelle oom Pinchas completeerde het gezin.
In Polen, en dus ook in Puławy, heerste sinds mensenheugenis een virulent antisemitisme. Een dikwijls gehoorde uitspraak was: de huizen zijn van jullie, de straten van ons. Zelfs de kinderen beschouwden, zoals hun ouders, de Joden niet als Polen en minachtten ze wegens hun ‘vergiftigd bloed’. Ze waren weliswaar geboren in dezelfde stad, maar ze werden niet als hun gelijken beschouwd. De Joden vormden een wereld op zich. Degenen die daartoe de mogelijkheid bezaten waren al voor de oorlog geëmigreerd naar West-Europa of andere delen van de wereld.

Het land bezet
In 1939 kondigde de Poolse regering een algemene mobilisatie af. In Puławy verzamelde de bevolking zich rondom het raadhuis om nader over de toestand geïnformeerd te worden. Daar hoorden ze op 1 september 1939 dat de oorlog was uitgebroken. De Duitse troepen overschreden de Poolse grens. Ze drongen snel door tot in Warschau en bezetten de stad. Tegen zoveel Duitse overmacht bleek geen kruid gewassen.
De tweede dag werd Puławy gebombardeerd. Gedurende een nieuwe aanval troffen honderden bommen de stad; Puławy schudde op zijn grondvesten. Een groot deel van de stad lag in puin. Overal waar de toen twaalfjarige Stanislaw kwam heerste dood en verderf. Kinderen riepen in de enorme chaos om hun ouders en die waren weer op zoek naar hun kinderen.
In september 1939 trokken Sovjettroepen het oostelijk deel van Polen binnen en bezetten het van tevoren met Duitsland overeengekomen gebied. Zo werd Polen in tweeën gedeeld, beheersd door Duitsers en Sovjets.

Waar moest het gezin heen?
Na verloop van tijd wilde de familie Szmajzner niet langer in Puławy blijven. Zij en honderden anderen trokken naar het zuidelijk gelegen stadje Kazimierz. Maar inmiddels waren ook Puławy en Kazimierz door de Duitsers bezet. Daarom besloten ze terug te keren naar hun geboorteplaats, waar hun huis nog overeind bleek te staan. In de stad zagen ze uitgeputte gevangengenomen soldaten in lompen onder zware bewaking voorbijlopen. Er heerste al snel gebrek aan voedsel. Samen met Stanislaws leermeester kregen ze toestemming in hun eigen vak voor de Duitsers te werken, waardoor ze wat meer dan de anderen te eten kregen. Toch was het raadzaam weg te trekken uit het door de Duitsers bezette gebied, om hun geluk te zoeken in het door de Sovjets bezette deel van Polen. Ze zagen de kans schoon met de trein naar Chełm te reizen, waar ze ‘s nachts in een roeibootje de Boeg overtrokken. Daar werden ze opgepakt en voorgeleid aan een kapitein van het Sovjetleger, die ze naar Kowel stuurde waar zij opnieuw werk in hun vak vonden.
Na verloop van tijd kreeg Stanislaw heimwee naar zijn familie in het door Duitsland bezette gebied, en wilde terugkeren. Daarom besloot hij naar Puławy te gaan, waar hij prompt door de Duitsers als Jood werd gearresteerd. Hij wist te ontsnappen en reed per trein naar Dęmblin, waar hij van familie hoorde dat Puławy Judenrein was gemaakt en alle daar nog wonende Joden in grote wanorde hun woonplaats hadden moeten verlaten om, naar men zei, ruimte te maken voor de Wehrmacht. Maar ook Dęmblin bleek te gevaarlijk om te blijven. Daarom besloot hij naar Wąwolnica te vertrekken omdat hij vermoedde dat zijn ouders zich wellicht daar ophielden. Het bleek dat ze in een verlaten huisje onderdak hadden weten te vinden. Na maanden van afwezigheid was de familie weer herenigd.
Het nieuws van zijn komst verspreidde zich als een lopend vuurtje door de Joodse gemeenschap. De familie leefde daar onder slechte hygiënische omstandigheden en van een karig ransoen. Hij meldde zich bij de plaatselijke Joodse Raad om aan voedsel te komen. Het gevolg was dat hij de witte band met de jodenster om zijn arm moest dragen.
Hij maakte kennis met een meisje, dat in het huis van de burgemeester werkte. Zij vroeg hem of hij iemand wist die zilveren plaatjes kon maken. Stanislaw zei dat ze bij hem aan het goede adres was en kreeg via haar de opdracht. Hij werd een maand vrijgesteld van ander werk voor de Joodse Raad.
Toen de plaatjes klaar waren vertrok de familie naar Kazimierz, waar ze de paarden van een cavalerieeenheid moest wassen en ook voor het hooi en de stallen moest zorgen. Zij wisten zich aan dit zware werk te onttrekken en kwamen tenslotte na veel omzwervingen, geplaagd door honger, ziekte en kou, in Opole terecht, waar ze enige tijd bleven.

Op weg naar Sobibór
Op 11 mei 1942 moesten ongeveer 2000 Joden in lange rijen het getto van Opole verlaten, onder hen zijn ouders, broer, zuster en neefje Nojech. Aan de kop van de stoet mochten de ouderen, invaliden, vrouwen en kinderen in houten boerenwagens plaats nemen. De mannen moesten zich lopend en onder strenge bewaking achter hen aansluiten.
Op iedereen die de stoet niet kon bijhouden, werd geschoten. Na enige uren werd een teken tot stoppen gegeven, naar bleek om de bewakers enige rust te gunnen. Even later gebeurde dat opnieuw, maar nu om een aantal met Joden geladen boerenwagens naar een verderop gelegen plek in een bos te rijden. Daarna ratelden er geweren. Tenslotte kwamen ze uitgeput in Nałęczów aan. Ze werden daar naar een met prikkeldraad omgeven plaats gebracht, waar bleek dat onderweg velen familie en vrienden hadden verloren. Die nacht moesten ze gesloopt door uitputting op de grond in de open lucht doorbrengen.
Nog in de ochtendschemering werden ze opnieuw in rijen opgesteld en onder strenge bewaking naar een laadperron bij het station van Nałęczów geleid, waar de trein al klaar stond. Schreeuwend, duwend en slaand dreef men ze de veewagens in tot die, met meer dan honderd mensen barstensvol waren.
De trein reed in de richting van Wąwolnica. Toen hij op snelheid was gekomen veroorzaakte het schudden van de wagons onbeschrijflijke tonelen. Ouden van dagen werden, voor zover dat mogelijk was, onder de voet gelopen, zwangere vrouwen kregen het zwaar te verduren. De familie probeerde bij elkaar te blijven en deed hardnekkige pogingen om rechtop te blijven staan. Stanislaws ouders en anderen hadden daar de grootste moeite mee.
Gedurende de korte momenten dat de trein stil stond hoopten ze dat de schuifdeuren even geopend zouden worden om wat frisse lucht te happen. Maar dat gebeurde niet. Er was gebrek aan zuurstof ontstaan; de dorst was onverdraaglijk. In de namiddag kwam de trein aan in de omgeving van de voormalige Russische grens bij een met prikkeldraad omgeven kamp. Toen ze op 12 mei 1942 op de plaats van bestemming waren aangekomen bleek dat onderweg velen waren gestorven.

Aankomst in Sobibór
Nadat de tocht ten einde was gekomen werden de deuren door Oekraïense bewakers en SS’ers geopend. De Joden drongen zich onder het geweld van wapens, stokken en zwepen zo snel mogelijk naar buiten, nadat ze over de talrijke lijken in de wagon waren heengestapt. Nadat deze leeg was moesten ze naar een deel van het kamp lopen dat met prikkeldraad was afgezet. Daar werden de mannen van de vrouwen gescheiden. Vervolgens werden de mannen onder gevloek en getier naar een groot veld geleid. Daar stelden de SS’ers de mannen niet zachtzinnig in rijen op. Stanislaw probeerde dicht in de buurt van zijn broer en neefjes te blijven, maar zijn vader was hij uit het oog verloren.
Er werden, naar later bleek, door Oberscharführer Gustav Wagner, handwerkslieden gevraagd. Goudsmid stond niet op zijn lijst. Daarom meldde Stanislaw zichzelf. Hij droeg een klein houten kistje met wat gereedschap op zijn rug. Wagner beduidde hem dat hij een stap naar voren moest doen. Daar stonden ze dan beiden tegenover elkaar, een klein afgemat jonge Joodse jongen naast een forse Germaanse atleet, die tijdens de Olympische spelen in Berlijn kampioen speerwerpen was geweest. Met zijn zestien jaren zei Stanislaw dat hij al een volleerd goudsmid was. Als bewijs heeft hij een gouden monogram uit zijn zak gehaald. Hij zei nog dat hij drie broers bij zich had die ook goudsmid waren. In werkelijkheid waren dat zijn broer Moisje en zijn neven Nojech en Jankus. Wagner besloot toen ook hen uit de rij te halen van de voor de dood bestemde mannen.
Wagner had als wreedste en intelligentste SS-man in Sobibór de dagelijkse leiding. Zijn plaatsvervanger als hij met verlof ging was Karl Frenzel, een van de domsten. Stanislaw kreeg een apart deel van een barak in Lager 1 tot zijn beschikking waar hij ook sliep, samen met zijn zogenaamde broers. In dezelfde ruimte werkten twee schilders, onder hen de Nederlander Max van Dam, die via het Franse Drancy als strafgeval in Sobibór terecht was gekomen.
De volgende morgen waren de meeste SS-mannen nieuwsgierig toen ze hoorden dat er een goudsmid in het kamp was aangekomen. De witgejaste commandant Stangl droeg Stanislaw op, voor hem een zilveren ring te maken op de knop van zijn zweep. De SS-runen moesten van goud zijn. Voor Stangl de barak verliet vroeg Stanislaw of hij zijn familie mocht zien. Stangl antwoordde dat ze nu op het land werkten en hij ze over enige dagen zou ontmoeten.
De andere SS-mannen, Wagner voorop, wilden daarna ook hun zwepen laten voorzien van een gouden ornament. Omdat iedere SS-man zijn eigen vaak ingewikkelde wensen had, moest hij lange dagen maken. Zijn broer Moisje heeft hem steeds bij zijn werk geholpen. Voor de handtassen van de vrouwen van SS’ers moest hij, als ze met verlof gingen, gouden monogrammen maken. Aan goud was geen gebrek, want voor zijn werk kreeg hij voldoende ringen en tanden van de vergaste Joden, vaak nog met menselijke resten eraan. Om zijn werk te kunnen doen moest hij eerst wat goud omsmelten door middel van houtskool en vuur. Om een goed resultaat te bereiken stookte hij het met hard blazen nog extra op.
Onder Stangls commando kon Stanislaw zijn werk met enige rust uitvoeren, tot Stangl in september 1942 naar Treblinka werd overgeplaatst. Zijn opvolger Reichleitner vond Stanislaws werk zinloos. Hij maakte hem toen voorman van de onderhoudswerkplaats in Lager 1. In de hoedanigheid van monteur en lasser kreeg hij op alle plaatsen in het kamp toegang, behalve bij de gaskamers in Lager 3.
Stanislaw en de andere Poolse werkjoden hadden in de getto’s al zwaar moeten werken en honger geleden. De westerse Joden daarentegen hadden geen benul van wat er zich in Polen afspeelde. Stanislaw vertelde dat de Joden uit Nederland in luxe wagons (voor de drie eerste transporten uit Westerbork werden Nederlandse oude derdeklasse personenwagons gebruikt, zonder enige luxe. Daarna vonden de transporten plaats in goederen- of veewagons, red.) aankwamen, vrolijk zongen en kinderwagens bij zich hadden. Ze waren beleefd, en er werd gedanst. Ze hebben gedacht ergens aan te komen waar ze moesten werken. Als ze eten kregen zongen ze hier soms van: ‘Ouwe taaie, jippie jippie jee.’

Verliefd
Op een dag kwam Wagner zijn barak binnen met drie jonge vrouwen. Hij bracht ze naar een ander deel van de barak en liet ze een kamertje zien waar ze mochten slapen. Na enige uren probeerde Stanislaw contact met ze te zoeken, want hij wilde weten waar ze vandaan kwamen. Maar ze waren nog te angstig door wat ze kort tevoren bij hun aankomst hadden meegemaakt.
Bajle, een van hen, vertelde dat ze met haar man en dochtertje was aangekomen en dat ze geen hoop meer had dat ze nog leefden. Na verloop van tijd ontstond een soort vriendschap. Hij mocht haar graag en ze begonnen vertrouwen in elkaar te krijgen. Maar hij was jong en had geen ervaring. Hij was niet vrijmoedig genoeg om tegenover haar zijn gevoelens te uiten. Hij was ook bang dat ze hem zou afwijzen. Op een dag ontmoette hij haar alleen in de keuken. Hij kuste haar en vertelde over zijn verlangens. Ze lachte en zei dat hij nog te jong voor haar was. Ze bleef wel vriendelijk, waste zijn kleren en bracht hem eten.
Toen er later een transport uit Nederland kwam, was daar een meisje bij dat Corrie heette. Ze was een mooie jonge vrouw van zijn leeftijd. Al direct ontstonden er wederzijdse gevoelens. Zodra het dagelijks werk was gedaan en de appèls voorbij waren gingen ze samen naar de barak. De vriendschap met Bajle verminderde terwijl die voor Corrie heviger werd. Bajle was daar niet blind voor en beëindigde hun relatie. Ze kreeg een affaire met een andere man.

De opstand en verder
Stanislaw was als voorman van de onderhoudsafdeling nauw betrokken bij de voorbereiding van de opstand. Om een kans van slagen te hebben bespraken hij en een groepje ingewijden dat eerst zo veel mogelijk SS’ers gedood zouden worden. Om te beginnen Untersturmführer Niemann, die op 14 oktober 1943 de hoogste in rang was omdat commandant Wagner en hij met verlof waren.
Een dag voor de opstand had Stanislaw de organisator van de opstand, Alexander Petsjerski, een krijgsgevangen Joodse luitenant van het Rode Leger, toegezegd een aantal geweren uit de Oekraïenerbarak te stelen. Omdat hij als monteur overal in het kamp mocht komen liep hij, toen het juiste moment was aangebroken, met een kachelpijp en een tang in zijn zak naar het Vorlager, waar de geweren in een Oekraïens onderkomen aan een ketting lagen vastgebonden. Toen hij de ketting had doorgeknipt bleek dat ze niet in de pijp pasten. Hij wikkelde ze daarom in een deken die hij van een brits had weggehaald. Het pakket en de pijp moesten door een raam naar buiten worden geschoven. Hij gaf twee aanwezige jonge schoenpoetsers opdracht hem daarbij te helpen, door ze, wanneer hij eenmaal via de deur buiten stond, aan te geven. Maar ze weigerden omdat ze bang waren. Hij dreigde ze met een mes omdat zijn missie niet mocht mislukken. Met Petsjerski was afgesproken dat Stanislaw de geweren naar de keuken zou brengen. Daar aangekomen wilden Petsjerski en zijn kameraden ze alle drie hebben. Maar Stanislaw zei dat hij ze had weggenomen en hijzelf in ieder geval met één geweer het kamp zou verlaten.
Om tien voor vijf, tien minuten vroeger dan normaal, begonnen de werkjoden, na het signaal voor appèl, zich op te stellen. Ze vonden het vreemd dat het gebruikelijke aantal SS’ers ontbrak. Plotseling begrepen de gevangenen dat er iets bijzonders aan de hand was. Ze begonnen door elkaar te schreeuwen. Velen renden in de richting van de hoofdpoort en sommigen naar de omheining in Lager 1. De Russen hebben met hun op de SS buit gemaakte revolvers en twee geweren op de Oekraïners op de wachttorens geschoten. En op de te hoop gelopen overgebleven SS’ers die door het lawaai kwamen aangerend. Stanislaw heeft tijdens zijn vlucht met zijn pas veroverde geweer teruggeschoten. Hij zag dat mensen in het prikkeldraad bleven hangen en door de mijnen buiten het kamp werden gedood. Hij rende met anderen naar het nabijgelegen bos, waar zich een groep vormde van ongeveer honderd man. Onder hen bevonden zich zijn broer Moisje, Petsjerski, nog een aantal Russen en twee timmerlieden van zijn werkplaats. Hun doel was met de buit gemaakte pistolen de Boeg over te steken om zich bij de partizanen aan te sluiten. De Russen zeiden dat Stanislaw met zijn geweer met hen mee kon op hun verdere tocht. Maar de Poolse Joden wilden dat niet. Ze zeiden dat hij met zijn geweer bij hen moest blijven. Toen zijn de Russen alleen verder getrokken. De anderen bleven een poosje op de plaats waar ze waren om met elkaar te overleggen. Toen zei Stanislaw: ‘We kunnen niet bij elkaar blijven, we moeten ons in kleine groepjes verdelen en iedere groep zijn eigen weg laten vinden.’ Iedereen wilde met hem mee, omdat hij een geweer had. Tenslotte is hij samen met zijn broer en een dertigtal anderen verder gegaan. Zeven dagen hebben ze gelopen, vaak tot hun middel in het water. Op de zevende dag zagen ze in de verte het bord Sonderkommando Sobibór staan. Ze zijn dus dagen en nachtenlang om Sobibór heengelopen. Misschien was dat wel hun geluk. De Duitsers hebben wel jacht op ze gemaakt, maar zochten niet in het water en het moeras.
Stanislaws broertje Moisje werd op zijn tocht naar de vrijheid door Poolse bandieten gedood.

Geëmigreerd
Na zijn vlucht uit Sobibór heeft Stanislaw zich tenslotte kunnen aansluiten bij de partizanenafdeling van de groep Boedjonny. Na de bevrijding van Polen emigreerde hij in 1947 via Oostenrijk en Italië naar Brazilië om daar een nieuw leven op te bouwen. Juist naar dat land, omdat hij gehoord had dat daar geen antisemitisme heerste. Hij begon om zijn brood te verdienen het vak van goudsmid weer uit te oefenen. Hij werd vader van twee zonen. Nadat hij alleenstaand was geworden nam hij een Braziliaanse vrouw in huis die hij Joodse maaltijden en lekkernijen leerde maken. Die deden hem denken aan de heerlijke gerechten die zijn moeder in zijn jeugd maakte.
In 1975 kreeg hij een hartinfarct. Dat was de reden waarom hij naar de provincie Goiãnia, in het binnenland, verhuisde. Hij kocht een groot stuk land, waar hij de rust vond om te overdenken wat hij in zijn jeugd had beleefd, en kon paardrijden. Andere liefhebberijen waren vissen en jagen. Inspannend werk kon hij niet meer verrichten. Hij maakte zich nuttig door een deel van zijn tijd als toezichthouder in een papierfabriek te werken. Thuis luisterde hij op zijn hacienda graag naar Russische volksmuziek. Voor zijn beveiliging had hij in zijn kamer twee in een deken gewikkelde geweren opgeborgen, wat hem herinnerde aan de twee die hij uit de Oekraïenerbarak had gestolen.
In 1967 heeft hij Stangl, de eerste commandant van Sobibór, in een politiebureau in Brazilië herkend. Nadat hij Stangl had geïdentificeerd, werd deze aan de Duitse Bondsrepubliek uitgeleverd, waar hij in Düsseldorf tot levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld. In 1971 stierf hij daar in eenzaamheid.
Gustav Wagner was een van de ergste misdadigers in Sobibór. Hij was de man die Stanislaw bij aankomst van de dood had gered. Stanislaw zag hem bij toeval op de televisie. Hij is toen naar São Paulo gegaan en heeft hem op een politiebureau ontmoet. Op zijn aanwijzing werd hij gearresteerd. Dat was de mooiste droom van zijn leven. Toen hij hem ontmoette, beweerde Wagner dat hij nooit in Sobibór was geweest. Toevallig wel daar in de omgeving.
Op het moment dat Stanislaw hem Gustl noemde moest hij toegeven, want nog nooit had iemand hem later met Gustl aangesproken. Alleen in Sobibór hebben zijn kameraden hem zo genoemd. Toen zei Wagner: ‘Wie bent u eigenlijk?’ Hij antwoordde dat hij de goudsmid van Sobibór was. Daarop zei Wagner dat hij dat inderdaad was. Na zijn ontmaskering heeft hij nog een jaar in gevangenschap geleefd. Daar heeft hij zelfmoord gepleegd. Of dat juist is, kon of wilde Stanislaw niet zeggen. Hij deed er geheimzinnig over. Er zijn zaken, zo zei hij, waarover je moeilijk kunt spreken.

De confrontatie met Wagner in 1979
¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬¬
SZMAJZNER: U was de commandant van Sobibór.
WAGNER: Nee, dat klopt niet. Stangl was de commandant.
REPORTER: Wie was dan de baas?
SZMAJZNER: Hij, met zijn vinger wijzend naar Wagner, was de baas. Hij was Oberscharführer.
WAGNER: Ik was geen commandant of ondercommandant.
SZMAJZNER: En Gustav Wagner was Oberscharführer, en daarmee uit.
WAGNER: Nee, dat is een leugen. Hij praat maar wat en weet niet wat hij zegt.
SZMAJZNER: Vertel ons liever maar wat over Sobibór. U hebt niet de moed om op te biechten wat er in Sobibór is gebeurd. Wees een man en vertel de waarheid. Er stierven veel mensen en niemand protesteerde. Jullie vermoordden mensen en deden met ons wat je wilde. Wees dan na 36 jaar een man en geef het toe. Hij is bijna niet veranderd, alleen ouder geworden. Maar hij is nog steeds dezelfde Wagner. In Sobibór had hij het voor het zeggen, maar nu niet meer. Hij kon doen wat hij wilde. In Sobibór was hij een god. Nu wil hij laten zien dat hij een goed mens is. Hij wil de mensen wijs maken dat hij niets gedaan heeft.
REPORTER: Heeft hij het verdrongen?
SZMAJZNER: Ik geloof van niet, want hij is intelligent genoeg. Heel intelligent, hij begrijpt alles. Hij is heel normaal. Toen ik hem aansprak en vroeg: Gustl, want zo noemden zijn kameraden hem, ken je me nog uit Sobibór? Ik was goudsmid en moest goud verwerken. Weet je nog? Toen zei hij: ja, ik weet het nog, ook je drie broers. Als je je zoiets kunt herinneren dan ben je toch normaal, nietwaar? Ik moest voor u als Oberscharführer een ring met embleem maken. Die ringen waren van goud. En het embleem op die ring.
WAGNER: Rustig toch.
SZMAJZNER: Herinnert u het zich al? Hij herinnert het zich. Weet u wat dat embleem inhield? Een i met een punt omhoog of omlaag. Omhoog betekende leven. Omlaag betekende de dood. U beschikte over leven en dood, nietwaar?
WAGNER: Nee, dat is niet waar. ’t Is alleen maar een gerucht.
SZMAJZNER: Hij weet het nog.
REPORTER: Meneer Gustav, het kamp waar u gewerkt heeft was toch een vernietigingskamp?
SZMAJZNER: Het was een vernietigingskamp.
WAGNER: Rustig.
REPORTER: Wat vindt u nu dat er na al die jaren met de heer Wagner moet gebeuren?
SZMAJZNER: Hij moet de gevangenis in. Om over zijn misdaden na te denken. Veel van zijn kameraden zijn al jaren geleden gepakt. Hij leeft nu 36 jaar zo vrij als een vogel terwijl zijn vrienden gevangen zaten.
REPORTER: Bent u tegen de doodstraf?
SZMAJZNER: Ja absoluut.

Stanislaw Szmajzner is op 3 maart 1989 in Goiania in Brazilië gestorven. Hij bereikte de leeftijd van bijna 62 jaar. Een plaatselijke Portugese krant herdacht hem met een lovend artikel onder de kop: Bij de dood van een voormalige gevangene van de nazi’s. Wij voegen er aan toe:

Hij was a Mentsj.

De auteur heeft van de volgende bronnen gebruik gemaakt: Video-interview in 1983 in Hagen met Dunya Breur en Frans Peeters; rechtbankverslagen en vonnis van het Schwurgericht in Hagen tijdens het proces tegen Karl Frenzel van 1983-1985; Szmajzners boek Inferno em Sobibor in een niet uitgegeven Engelse vertaling; videoreportage in São Paulo in 1979; Vernietigingskamp Sobibor van Jules Schelvis.

© Het copyright van deel vijf uit de serie Getuigenissen, een uitgave in 2007 van de Stichting Sobibor is voorbehouden aan de Stichting Sobibor. Niets uit deze uitgave mag worden openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.