Geschiedenis

sobiborDe volgende gegevens over Sobibor zijn ontleend aan de zesde druk van het boek Vernietigingskamp Sobibor dat in januari 2008 is verschenen.
De auteur, Jules Schelvis, heeft van 1983 tot 1993 een diepgaand en gedocumenteerde studie van het kamp gemaakt. De zesde druk bevat de laatst bekende informatie over Sobibor. De Universiteit van Amsterdam heeft Schelvis voor zijn wetenschappelijk werk op 8 januari 2008 het ere-doctoraat verleend.
In 1998 is een Duitse versie van het boek verschenen, eerst bij Metropol Verlag in Berlijn en daarna in 2003 bij Reihe Antifaschistischer Texte in Hamburg/Münster. Een Engelse vertaling verscheen in 2007 bij Berg Publishers in Oxford, in samenwerking met het United States Holocaust Memorial Museum in Washington DC.

Het vernietigingskamp Sobibor

Het kamp bevond zich in Oost-Polen aan de spoorlijn Chelm-Wlodawa, op ongeveer 6 kilometer afstand van het dorp Sobibor. De plaats van het kamp lag schuin tegenover het bestaande lokale stationnetje. Om het reguliere personen- en goederenverkeer niet te belemmeren als grote transporten aankwamen, werd de bestaande rails uitgebreid tot drie sporen om maximaal vijftig goederenwagons te kunnen opvangen. Vanaf het meest westelijke spoor werd een vierde afgetakt dat binnen de dubbele afrastering van het kamp uitmondde. De ernaast gelegen wal, de Rampe, was 120 meter lang, zodat dit spoor hoogstens elf wagons en een locomotief kon bevatten. Het kamp lag in een dun bevolkt moerasgebied, op korte afstand van de grens met de Sovjet-Unie. Het behoorde met Belzec, Treblinka en voor een deel met Lublin/Majdanek tot de vier vernietigingskampen die de SS in het kader van de zogenoemde Aktion Reinhard voor de uitvoering van de Endlösung der Judenfrage heeft gebouwd. Naast deze vier kampen functioneerden in Polen tevens Chelmno, in de omgeving van Lodz, als vernietigingskamp en niet in de laatste plaats ook Auschwitz-Birkenau. Dit kamp was deels vernietigings-, deels werkkamp.

Wat er aan Sobibor vooraf ging

Hans Frank

Al snel na de inval op 1 september 1939 van het Duitse leger annexeerde Hitler het veroverde westelijke deel van Polen en werd het Generaalgouvernement ingesteld. Voor de vernietiging van het joodse ras in Europa, zoals Hitler het in zijn toespraken noemde, was het Generaalgouvernement de aangewezen plaats. Daar woonden de meeste Joden van het continent en het lag ver weg van West-Europa. Wegens het in Polen heersende antisemitisme hoefde de bezetter geen rekening te houden met weerstand van de bevolking. Het gezag over het Generaalgouvernement werd opgedragen aan gouverneur-generaal Hans Frank en zijn plaatsvervanger Arthur Seyss-Inquart, de latere Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden.

Reinhard Heydrich

Reinhard Heydrich, die door de hoogste Duitse politiechef Heinrich Himmler werd belast met de oplossing van ´het jodenvraagstuk´ stuurde kort na de inval in Polen zijn chefs de richtlijnen toe hoe deze oplossing zijns inziens moest worden uitgevoerd. Hij nam tevens de taak op zich, de terugkeer van rijks- en volksduitsers naar het op Polen veroverde gebied te bevorderen. In het gebied dat onder Duits gezag was gekomen als gevolg van het Duits-Russische Pact van 1939 leefden twee miljoen Joden. In oostelijk Polen, dat in 1939 onder Stalins controle was gekomen maar dat in juni 1941 ook in Duitse handen kwam, leefden nog eens 1.200.000 Joden. Nog vóór de Wannseeconferentie op 20 januari 1942 begon, stond het lot van de Joden die zich binnen het machtsbereik van de nazi’s bevonden vast. Tijdens deze conferentie werd door hoge SS-functionarissen en afgevaardigden van Duitse ministeries besproken – en door Adolf Eichmann vastgelegd – op welke wijze de uitroeiing moest plaatsvinden. Op 13 oktober 1941, dus drie maanden vóór deze gebeurtenis, werd wat later Aktion Reinhard zou gaan heten ingesteld. Een van de meest rabiate nazi’s, Odilo Globocnik, werd met de verantwoordelijkheid belast. Zijn doel was de vernietiging en uitvoering te organiseren van meer dan anderhalf miljoen Joden in de vier vernietigingskampen.

 

tekening van de gaskamer in Sobibor

De gaskamers

In november 1941 werd begonnen met de bouw van de kampen Belzec en Sobibor. In een speciaal daarvoor gebouwde barak in Belzec werden vier ruimten ingericht, drie als gaskamer en één als voorportaal. De barak had dubbele houten met zand gevulde wanden, zodat het geschreeuw van de slachtoffers in de kamers niet of nauwelijks tot de buitenwereld kon doordringen. Na enig experimenteren vond het doden plaats via uitlaatgassen van een buitgemaakte motor uit een Sovjettank. Via een buizenstelsel werden de verbrandingsgassen de kamers ingevoerd. Om de ruimten na de vergassing vlug te kunnen schoonmaken was de binnenkant met zink bekleed. Op 17 maart 1942 kwamen in Belzec de eerste transporten uit Lublin en Lemberg aan.
De gaskamers in Sobibor waren identiek aan die van Belzec. Ze werden op 3 mei 1942 in gebruik genomen. De capaciteit bleek volgens de SS-leiding al spoedig te klein. Zij veroorzaakte een opstopping in de vernietigingsprocedure. Tijdens de periode juni tot oktober 1942 vonden herstelwerkzaamheden plaats aan de rails tussen Chelm en Sobibor. Van deze gelegenheid werd gebruikgemaakt de gaskamers af te breken en te vergroten tot een stenen gebouw.

Erich Bauer

In een verklaring voor de rechtbank in het Duitse Hagen verklaarde de SS-man Erich Bauer hoe hij zorg droeg voor het starten van een 200 PK-motor uit een buitgemaakte Sovjettank. Hij vertelde hoe Oekraïense vrijwilligers en werkjoden de mensen de gaskamers induwden en de luchtdichte deuren sloten. Toen pas, aldus Bauer, werden de mensen wantrouwig. Maar er was geen weg meer terug. De opeengehoopte mensen verwachtten dat er water uit de douchekoppen zou stromen. Aanvankelijk hoorden ze sissende geluiden. Maar al spoedig ontstond er gebrek aan zuurstof. Hij verklaarde dat het vergassen 20 tot 30 minuten duurde, dat de werkjoden daarna de lijken uit de gaskamers haalden, onderzochten op gouden tanden en kiezen en ze vervolgens in massagraven wierpen. Na de komst van een baggermachine in het najaar van 1942 werden de lijken opgegraven en verbrand op kruislings gelegde rails boven nieuw gegraven kuilen.

De SS’ers en bewakers

Franz Stangl

Begin 1942 werden de manschappen aangewezen. De meesten waren betrouwbare nationaal-socialisten, die behoorden tot de organisatie T4. ‘Aktion T4’, genoemd naar het adres Tiergartenstrasse 4 in Berlijn, waar de Kanzlei des Führers was gevestigd, was de codenaam van een geheim euthanasieprogramma dat tussen 1939 en1941 werd uitgevoerd in een zestal inrichtingen verspreid door Duitsland. Vrijwel al het naar Polen uitgezonden personeel had al een staat van dienst achter de rug met het vergassen van geesteszieken en gehandicapten. De eerste commandant van Sobibor was Franz Stangl, ook afkomstig uit een van deze Euthanasieanstalten. In september 1942 werd hij commandant van het vernietigingskamp Treblinka.

Gustav Wagner

Hij werd in Sobibor opgevolgd door Franz Reichleitner. Beiden waren Oostenrijkers, evenals de meest gevreesde SS’er Gustav Wagner, die met Karl Frenzel de dagelijkse leiding over het kamp had. Andere moordenaars waren Vallaster, Graetschus, Gomerski, Groth en Floss. Tot de vaste bezetting behoorden 27 SS-mannen waarvan er in doorsnee 17 à 18 in Sobibor aanwezig waren. Hun zwepen, geweren en pistolen spaarden zij niet. Hun honden waren minstens zo gevreesd als hun bazen. Himmler hield de SS’ers voor dat ze gehard moesten zijn voor het werk wat ze deden. Hij zei: ‘Het is een nooit geschreven en nooit meer te schrijven bladzijde in onze roemrijke geschiedenis.’

De bewaking vergde aanzienlijk meer manschappen. Daarvoor werden voornamelijk Sovjet-krijgsgevangenen gerekruteerd en getraind in het SS-opleidingskamp Trawniki. Ofschoon ze uit verschillende delen van de Sovjet-Unie afkomstig waren werden ze door de werkjoden Oekraïeners, Trawnikimänner of, met een scheldnaam, karaloechies, kakkerlakken genoemd. Ze volgden ieder bevel van de SS, ook het executeren van mensen in het kamp, zonder aarzelen op. Voor de werkgevangenen, Arbeitsjuden, zoals de Duitsers ze noemden, waren ze minstens zo gevreesd als de SS’ers.

Vertrek en aankomst

Het veertiende transport uit Westerbork, dat van 1 juni 1943, waar de schrijver deel van uitmaakte, bestond uit 3006 personen. Hij, zijn vrouw en het huisgezin, die op 26 mei tijdens een grote razzia in de jodenbuurt van Amsterdam waren gevangengenomen, werden onder de meest erbarmelijke omstandigheden, met 65 personen, onder wie baby’s, grijsaards en zieken, in een overvolle veewagen naar het oosten gevoerd. Onderweg kregen ze voedsel noch drinken. Hun behoeften deden ze in een houten ton. Kort voor aankomst werden de murwgemaakte mensen door intimidatie van een begeleidende bewaker gesommeerd voorwerpen van waarde af te geven. Na 72 uur rijden en stilstaan kwam het transport tenslotte in Sobibor aan.

rangeerterrein en een deel van de Rampe

Langs de Rampe stopten tien wagons tot aan het stootblok. Het uitstappen, met hulp van de werkjoden van het zogeheten Bahnhofskommando, gebeurde niet zachtzinnig. De SS’ers achter hen schreeuwden “schneller, schneller” en sloegen ongenadig op de mensen in. Toch wekte de eerste aanblik van het kamp geen argwaan omdat de barakken die ze vanuit de verte zagen op Tiroler huisjes leken. Nadat de nieuwkomers in de eerste fase van het bestaan van het kamp hun bagage aan de Rampe moesten achterlaten werden ze naar Lager 2 in het centrale deel van het kamp gebracht, waar ze door een SS-man werden toegesproken. Hij zei dat iedereen moest werken, behalve ouden van dagen en kinderen. “Omdat u lang in de trein hebt gezeten zijn hygiënische maatregelen noodzakelijk. Daarom moet u zich uitkleden om in het verderop gelegen badhuis te gaan douchen. Uw kleren worden bewaakt. Goud en geld geeft u daar bij de kiosk af. Het nummer dat u wordt toeroepen moet u goed onthouden zodat u straks uw eigendommen gemakkelijk terug kunt vinden. Er is zeep en één handdoek voor twee personen.” Vervolgens werden de naakte mensen langs een 300 meter lang pad, de Himmelfahrtstrasse, geleid dat met dennentakken was doorvlochten. De vrouwen werden eerst nog naar een barak geleid, waar hun haren werden afgeknipt. Nog steeds had men er geen vermoeden van wat hun te wachten stond.
Om de procedure sneller te laten verlopen werd na enige tijd een smalspoor aangelegd tussen de Rampe en Lager 3, het deel binnen het kamp waar de vergassing plaats vond. De ouden van dagen en degenen die niet in staat waren te lopen werden op kiepbare lorries erheen gereden.

Selma Wijnberg

De 34.313 Joden uit Nederland die uit negentien transporten kwamen werden, op ongeveer duizend na, op de dag van aankomst vergast. De duizend geselecteerden werden tewerkgesteld in het turfkamp Dorohucza, in Lublin-Majdanek, Lublin-Alter Flugplatz of als werkgevangenen in Sobibor zelf.

Ursula Stern

Twee van de laatsten, Selma Wijnberg en Ursula Stern, overleefden de opstand, nadat zij een half jaar hebben moeten meehelpen de vernietigingsmachine draaiende te houden.

Van degenen die in Dorohucza of Lublin terechtkwamen overleefden 13 vrouwen en drie mannen de oorlog.

De werkjoden

In de overige delen van het kamp wisten de werkjoden dat de dood onontkoombaar was voor de inzittenden van de vrijwel dagelijks binnenkomende transporten. Daarvan getuigden immers niet alleen de rook en de stank die uit Lager 3 opstegen, maar vooral ook de kleren en de schoenen van de slachtoffers die ze moesten sorteren. Er werd gesproken over de wijze waarop de dood zou zijn ingetreden. Dat bleef voor de werkjoden in Sobibor een groot geheim. Men sprak over injecties, elektrocutie of vergif. Maar niemand wist het precies.
Het aantal werkjoden was aan wisseling onderhevig, al naar gelang de te verwachten aankomst van transporten. Op 14 oktober 1943, tijdens de opstand, waren er 650 in Sobibor, van wie ongeveer de helft uit Nederland afkomstig was. Onder hen bevonden zich, strikt gescheiden van de anderen, 50 in Lager 3.

De transporten uit Nederland

Vanuit Nederland zijn, op Polen na, verhoudingsgewijze de meeste Joden gedeporteerd. De direct verantwoordelijken in ons land waren Rijkscommissaris Seyss-Inquart en SS-Obergruppenführer Hanns Albin Rauter. (Beiden zijn na de oorlog geëxecuteerd).Op 22 maart 1943 verkondigde Rauter in Den Haag, “..dat alleen als het jodenvraagstuk is opgelost we van deze kwaal verlost zullen worden.” ,,Graag,” zo zei hij, “wil ik met mijn ziel in de hemel boeten voor wat ik tegen de Joden heb misdaan.”
De 19 treinen naar Sobibor vertrokken alle in 1943 vanuit Westerbork, steeds op dinsdagmorgen.

2 maart 1105 personen van wie geen overlevenden
10 maart 1105 personen van wie 13 vrouwelijke overlevenden
17 maart 964 personen van wie 1 manlijke overlevende
23 maart 1250 personen van wie geen overlevenden
30 maart 1255 personen van wie geen overlevenden
6 april 2020 personen van wie 2 vrouwelijke overlevenden
13 april 1204 personen van wie geen overlevenden
20 april 1166 personen van wie geen overlevenden
27 april 1204 personen van wie geen overlevenden
4 mei 1187 personen van wie geen overlevenden
11 mei 14 46 personen van wie 1 manlijke overlevende
18 mei 2511 personen van wie geen overlevenden
25 mei 2862 personen van wie geen overlevenden
1 juni 3006 personen van wie 1 manlijke overlevende
8 juni 3017 personen van wie geen overlevenden
29 juni 2397 personen van wie geen overlevenden
6 juli 2417 personen van wie geen overlevenden
13 juli 1988 personen van wie geen overlevenden
20 juli 2209 personen van wie geen overlevenden

Hoeveel Joden zijn naar Sobibor gedeporteerd?

Jarenlang werd er van uitgegaan dat naar Sobibor tussen de 200.000 en 250.000 Joden werden gedeporteerd. Tot 2002 bleef het voor een deel gissen hoe groot de werkelijke aantallen waren, zo dat al kon worden vastgesteld. Echter, in dat jaar werd een deel van de oplossing gevonden. Het betrof het aantal mensen dat in Sobibor arriveerde gedurende de periode 3 mei 1942 – het begin van de vergassingen in Sobibor – tot 31 december 1942, dus over 8 maanden.

Het was 11 januari 1943 toen Hermann Höfle vanuit het hoofdkwartier van de Aktion Reinhard in Lublin een radiografisch bericht stuurde aan Franz Heim in Krakau. Het betrof onder meer het aantal Joden dat per 31 december 1942 in de vier vernietigingskampen van de Aktion Reinhard was aangekomen.
Wat Höfle niet kon weten was, dat zijn bericht nog diezelfde dag door de Engelse geheime dienst op 11 januari 1943 was opgevangen en gedecodeerd. De specialisten daar zagen de belangrijkheid van het bericht niet in. Het bleef in de Engelse archieven liggen, tot het met andere, begrijpelijker berichten, in 2000 voor het publiek werd vrijgegeven. De historici Stephan Tyas en Peter Witte zagen de importantie van het bericht toen in.
Het bevatte twee reeksen van letters en cijfers.
De eerste reeks bestond uit een tweewekelijkse periodieke opgave van het aantal nieuw aangekomen Joden in de vier vernietigingskampen gedurende de laatste 14 dagen van 1942. Höfle meldde
L 12.761, B 0 (nul), S 515, T 10.335. Deze vier getallen leverden een totaal op van 23.611 Joden op die de laatste twee weken van 1942 waren aangekomen in de vier genoemde vernietigingskampen. De letters L, B, S, T waren afkortingen voor Lublin/Majdanek, Belzec, Sobibor en Treblinka.
De tweede reeks bestond uit de aantallen per vernietigingskamp vanaf hun ingebruikneming van de verschillende kampen tot op de dag van 31 december 1942:.
Dat waren
L 24.733, B 434.508, S 101.370, T 713.555, samen 1.274.166.
Niet onbelangrijk voor de mate van betrouwbaarheid van het bericht was dat, gedurende de laatste veertien dagen van 1942, in Belzec geen Joden waren aangekomen. Dat kon ook niet, omdat Belzec op 8 december 1942 buiten gebruik werd gesteld.
Door het gedecodeerde bericht staat het vast dat het aantal slachtoffers van Sobibor per 31 december 1942 is vastgesteld op 101.370.
Wat Sobibor betreft, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord hoeveel Joden er vanaf 1 januari 1943 tot aan de dag van de opstand op 14 oktober 1943 zijn aangekomen.
Dat waren

Uit de Sovjet-Unie: Lida, Minsk en Vilnius ………13.700
Uit diverse plaatsen in Polen ……………. ……..14.900
Uit Nederland ………………………………….34.313
Uit Frankrijk …………………… …… …….…3.500
Uit Joego-Slavië: Skopje ………… . ….… ………2.382
|
Van 1 januari 1943 tot 14 oktober 1943… ….…..68.795

Opgeteld bij het eerder genoemde aantal van …..101.370

maakt een totaal van ………………… …………170.165

Afgerond tot een heel getal ..………… ………… 170.000

 

Leon Feldhendler

De opstand

In de nazomer van 1943 ontstonden geruchten dat het kamp zou worden opgeheven of misschien een andere bestemming zou krijgen. Ze werden gevoed door de verminderde aanvoer van transporten. Ondanks de uitzichtloze situatie baarde het vooruitzicht van een mogelijke liquidatie grote zorgen, want als Sobibor zou worden opgeheven zouden de werkjoden hetzelfde lot ondergaan als dat van de laatste Joden uit Belzec: een meedogenloze executie. Daarom had zich in het kamp in het geheim een kleine groep gevormd onder aanvoering van de charismatische Poolse Leon Felhendler. Ze broedde op een mogelijke vlucht. Het bleef echter bij praten omdat er niemand was om een ingewikkelde organisatie op touw te zetten. Dat veranderde op 22 september 1943 toen een transport Joden uit Minsk aankwam onder wie krijgsgevangen joodse Sovjetsoldaten. Een van degenen die voor werk werd uitgezocht was luitenant Alexander Petsjerski. Hij werd al snel door Felhendler gepolst om mee te denken. Hij ontwierp in korte tijd een vermetel plan. Een essentieel onderdeel was, eerst zoveel mogelijk SS’ers uit te schakelen om dan, na het reguliere appèl, het kamp ordelijk te verlaten, waardoor de talrijke Oekraïeners op de wachttorens geen argwaan zouden krijgen.

Alexander Petsjerski

Het kwam onder zijn en Felhendlers leiding op 14 oktober 1943 tot uitvoering, maar slaagde niet ten volle. Toch konden 365 Joden het kamp ontvluchten, van wie 47 de oorlog hebben overleefd. Degenen die in het kamp achterbleven vreesden, dat zij zich buiten het prikkeldraad in een vreemd en vijandig land geen kans van overleven hadden omdat zij het Pools niet machtig waren. Of ze hadden niet genoeg lef.
Het was voor het eerst in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog dat in een vernietigingskamp door samenwerkend joods verzet en vernuft twaalf SS’ers en twee bewakers werden gedood. Na de opstand werden, door ongeveer 300 werkjoden die uit Treblinka waren gehaald, alle sporen van het kamp gewist, waarna ze werden gedood.