de media en Sobibor

Wat was er na de oorlog bekend over Sobibor?

Lange tijd werd in Nederland weinig bekendheid gegeven aan vernietigingskamp Sobibor. De landelijke pers dook pas op het onderwerp tijdens het zogenoemde ‘monsterproces’ halverwege de jaren zestig. Het Sobiborproces van de jaren tachtig kreeg minder aandacht. Met het recente proces Demjanjuk kwam er werkelijk brede belangstelling. De media en Sobibor: een pijnlijke verhouding.

In 1946 publiceerde het Rode Kruis een rapport over vernietigingskamp Sobibor. De media gaf er geen ruchtbaarheid aan, ondanks het hoge aantal slachtoffers uit Nederland. De eerste berichten over Sobibor in de Nederlandse pers verschenen pas twee jaar na de bevrijding, in april 1947. Directe aanleiding was de verbeterde versie van het rapport dat het Nederlandse Rode Kruis had opgesteld.

Het zestien pagina tellende document beschreef wat voor soort kamp Sobibor was, waar het lag, noemde de aantallen deportatietreinen en weggevoerden uit Nederland en de enkele teruggekeerden. De kranten besteedden er niet bijzonder veel aandacht aan. “Bijna 35.000 Nederlandsche joden werden vergast”, luidden weliswaar enkele krantenkoppen, maar de berichtgeving was overwegend kort en zakelijk. Van eigen nieuwsgaring was geen sprake.

Sobibor, een wasmiddel?
Daarna werd Sobibor in de media nauwelijks nog genoemd. Op een enkel berichtje na – over Erich Bauer, de ‘gasmeester van Sobibor’ die in 1950 ter dood werd veroordeeld. Totdat in 1965 in het Duitse Hagen een groot proces begon. Vanaf september dat jaar stonden twaalf voormalige SS’ers terecht, waaronder Karl Frenzel en Kurt Bolender die tot de kampleiding hadden behoord.

De meeste grote dagbladen besteedden aandacht aan dit zogenoemde monsterproces. Veel aandacht was er voor de verhalen van de getuigen, die vertelden over wat zich in het kamp had afgespeeld. De verdachten zelf lieten nauwelijks iets los.

Alle berichten tezamen gaven een globaal beeld van de situatie in het kamp. Van de verhoren en het proces zelf waren sfeerbeschrijvingen te lezen. Maar vanuit hedendaags perspectief valt op dat er bijvoorbeeld geen interviews met getuigen of diepgravende achtergrondartikelen werden gepubliceerd. Tegelijkertijd benoemden de media de algemene aandacht voor het proces als laag. “De Nederlandse regering, het ministerie van Justitie in het bijzonder, maar ook de pers, is de afgelopen vijftien maanden niet overgelopen van belangstelling”, schreef Vrij Nederland op 17 december 1966 onder de kop: “De trieste balans van het Sobibor-proces”.

Verschillende artikelen verwezen naar een enquête waarin de bekendheid van Sobibor werd getoetst. Zo was de bewoners van Hagen, waar het proces inmiddels een jaar bezig was, gevraagd of zij wisten wat Sobibor betekende. “Is het misschien een nieuw wasmiddel?” had iemand gereageerd. Een zinsnede die in de Nederlandse media veel werd geciteerd.

Eli Aron Cohen
Met het einde van dit grote proces verstomde ook de berichtgeving over Sobibor. Begin jaren zeventig volgden twee processen waarover hier en daar in de pers kort werd bericht. Eli Aron Cohen, beschrijver van het concentratiekampsyndroom en zelf overlevende van meerdere kampen, stelde in een interview in 1977: “Van Auschwitz weten we genoeg, maar van Sobibor…” Daarbij kondigde hij aan binnenkort met een boek over Sobibor te komen.

Zijn boek De negentien treinen naar Sobibor verscheen in 1979 en bevatte interviews met vijftien overlevenden van Sobibor. Alom werd het boek positief ontvangen. Het leidde tot een volgende piek in de berichtgeving over Sobibor. In dezelfde week dat De negentien treinen verscheen, kwam de serie Holocaust, de geromantiseerde geschiedenis van de Jodenvervolging, op de Nederlandse televisie. Na afloop van de eerste uitzending werd Jules Schelvis als overlevende van Sobibor geïnterviewd.

Jaren tachtig
Van november 1982 tot oktober 1985 vond in Hagen opnieuw een Sobiborproces plaats. De media-aandacht voor dit proces was minder groot dan twintig jaar eerder. Ook de Volkskrant constateerde dit en sprak over “een proces waar amper ruchtbaarheid aan gegeven wordt”, dit terwijl het proces in Hagen volgens de krant “wel uitvoerig” de media haalde. Jules Schelvis volgde samen met Dunya Breur het proces voor Het Vrije Volk. Zij spraken met ruim twintig overlevenden, waaruit de documentaire Opstand in Sobibor (1989) voortkwam. Deze getuigenissen spraken de media aan. Er verschenen veel artikelen met persoonlijke gesprekken met overlevenden.

Vanaf de jaren tachtig kwam de datum 14 oktober in beeld, de dag van de kampopstand in 1943. De speelfilm Escape from Sobibor (1987) en de documentaires Opstand in Sobibor en Sobibor, 14 Octobre, 1943, 16 heures (2001) droegen daaraan bij. Ook de publicatie van Vernietigingskamp Sobibor van Jules Schelvis precies vijftig jaar na de opstand leidde tot meer aandacht voor Sobibor.

Demjanjuk
Uiteindelijk werd pas onlangs, bijna 65 jaar na de oorlog, de mediabelangstelling voor Sobibor echt serieus. Het anderhalf jaar durende proces tegen John Demjanjuk dat eindigde met de veroordeling van deze voormalig hulpbewaker, riep ongekende aandacht op, met name bij aanvang en einde. In de voetsporen van Jules Schelvis volgde bijvoorbeeld Wim Boevink voor dagblad Trouw nauwgezet het proces in München.

Dit artikel beoogt een globaal beeld te schetsen. Bron: Krantenknipselarchief over Sobibor, NIOD, instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies.