Getuigenverklaring van Ilana Safran (Ursula Stern)
Haagen, 8 november 1965
Ter zake: De namen van de verdachten zijn mij bekend uit de dagvaarding; ik geloof dat ik er slechts twee van ken. Het is voor mij niet prettig om naar hen te kijken. (Getuige staat op): Ik zou misschien Frenzel kunnen herkennen (ze bedoelt Fuchs), maar ik weet het niet zeker. De laatste links is Wolf (ze wijst naar Wolf).
Ik woonde met mijn ouders in Nederland. In 1942 kwam er een oproep om zich te melden voor een transport naar Duitsland. Mijn ouders verborgen mij en mijn zus bij een professor in Utrecht. Daar werd ik in januari 1943 gevangengenomen en met nog zes volwassenen en zes kleine kinderen in de leeftijd van twee tot vier jaar naar het politiebureau gebracht. Ik zat daar een week in de gevangenis [aan de Amstelveenseweg in Amsterdam] en kwam omstreeks 1 april 1943 in Westerbork aan [vanuit het concentratiekamp Vught, waar ze vanaf 27 januari 1943 gevangen zat]. Daar werd ik, wegens vluchtgevaar, in de strafbarak ondergebracht. Op 6 april 1943 kwam ik met een transport van ongeveer 2000 mensen in veewagons naar Sobibor. De reis duurde drie dagen; we kwamen ook door een Duitse stad en stonden een paar uur op een perron. We wilden door de deur contact maken. De bewaking zat op het dak van de trein. Er werd ons water gebracht. De burgerbevolking draaide zich om of lachte, maar schonk geen aandacht aan ons.
Het ging verder naar Polen; waarheen, wisten we niet. We zaten op de grond; boven ons zaten of lagen de zieken en invaliden. We dachten dat het werkelijk, zoals ons was verteld, om werk ging. Mijn ouders hadden mij van tevoren echter al heel duidelijk gemaakt wat de werkelijke redenen van ons transport waren. Wij als kinderen konden en wilden dat echter niet geloven. Het meegebrachte eten wilden we niet opeten, maar bewaren voor de anderen die al vóór ons vanuit Westerbork naar Polen waren getransporteerd, omdat we dachten dat zij daar werkten en het nodig hadden. In een Pools dorp riepen mensen ons vanuit het loof toe waar we naartoe gingen. Omdat we het Pools niet verstonden, gaven ze ons met de hand een teken dat betekende dat we de dood tegemoet gingen. Op die onmenselijke reis stierven we bijna allemaal. We spraken af dat degene die over zou blijven, dit alsjeblieft aan de wereld moest mededelen.
Op 9 april 1943 kwamen we in Sobibor aan. De wagons werden opengerukt en we werden er met stokken uitgeslagen. Ouden van dagen, zieken en kinderen kwamen op lorries terecht. Er werd geschreeuwd dat we de bagage moesten weggooien. Ik geloof dat we door de lange barak gingen (bedoelt barak 22), maar dat weet ik niet meer precies. Bij de uitgang stonden drie mensen in uniform met zwepen. Een van hen beduidde ons aan de linkerkant te blijven staan. We waren met negen meisjes die bij elkaar waren gaan staan. Acht werden eruit gehaald. De negende smeekte om er ook uitgehaald te worden. Een Duitse SS’er wiens naam ik destijds niet kende, maar van wie ik later wist dat het Frenzel was, zei dat ze door moest lopen. Ze huilde. Hij sloeg haar in het gezicht en stuurde haar met de anderen mee.
We zijn ongeveer een uur blijven staan. Toen riep Frenzel Edda [Lichtmann], die al eerder in het kamp was, dat zij ons moest onderbrengen in de barak. Eerst moesten we een brief schrijven dat we goed waren aangekomen en dat het goed met ons ging. Als adres moesten we het werkkamp Wlodawa opgeven. Ik schreef aan mijn vriendin. Frenzel stond erbij en controleerde of het ook correct geschreven werd. Vervolgens bracht Edda Lichtmann ons het kamp binnen. We wisten nog niet wat daar gebeurde. De eerste dag kwamen we in de barak samen met Poolse Joodse meisjes, die ons heel vriendelijk ontvingen en ons eten gaven. Ze waren ook goed gekleed. We hoopten nog steeds dat het een werkkamp was en ik hoopte, omdat ik jong en sterk was, dat we het tot het einde van de oorlog zouden volhouden. Korte tijd later zagen we een groot vuur dat tot aan de hemel reikte. De Poolse meisjes vertelden ons wat voor vuur dat was.
Desgevraagd door de voorzitter: Het waren veewagons waarin we getransporteerd zijn; ik geloof dat we op 5 of 6 april zijn vertrokken; daarvóór waren er ook al transporten uit Westerbork vertrokken, voor hen wilden we immers het eten bewaren. Ik geloof dat er in ons transport ongeveer 2.000 mensen zaten [2020 namen staan op de lijst van het zesde transport van 6 april 1943]. Hoe groot de andere transporten uit Westerbork waren, weet ik niet. Bij het uit de wagons halen werden we met slagen op brute wijze naar buiten gedreven. We lieten ons zonder verzet uit de wagons halen, omdat we immers niet wisten wat ons te wachten stond. Later kwamen er Russische of Poolse transporten; die wisten wat hen te wachten stond. Daar ging het er luidruchtiger aan toe bij het uitladen. De mensen uit ons transport die naar de gaskamers gingen, heb ik niet gesproken. Later, na de oorlog, heb ik in Nederland nabestaanden van dergelijke mensen gesproken. Van hen heb ik vernomen dat ook deze mensen briefkaarten hadden geschreven die de nabestaanden hadden ontvangen. Achter de barak stonden Frenzel, Niemann en nog iemand aan wie ik me niet meer herinnerde. Wij acht meisjes waren niet de enigen die werden geselecteerd; in totaal waren het ongeveer 30 mensen, ik geloof echter dat het alleen meisjes en vrouwen waren. Behalve Joodse vrouwen werkten er ook Oekraïense vrouwen bij de Duitsers in het kamp, maar niet als gevangenen.
De indeling van het kamp heb ik in mijn geheugen, maar ik weet niet in hoeverre die nog met de werkelijkheid overeenkomt. Ik geloof dat we in Lager 1 nr. 5 woonden; nr. 7 was misschien de strijkkamer, nr. 6 misschien de keuken, nr. 10 misschien de mannenbarak. In nr. 1 tot en met 3 zaten, geloof ik, de schoenmakers, bankwerkers en overige ambachtslieden. De begrippen Lager 1, Lager 2 en Lager 3 zijn mij uit die tijd bekend. Lager 4 of Lager Nord is mij niet bekend. Het is mij wel bekend dat ik aan het einde, toen ik niet meer in de sortering werkzaam was maar bij het Waldkommando, daar moest schoonmaken; misschien was dat de plek van Lager 4, in ieder geval was het binnen het kamp.
Vorlager: Ik geloof dat de Duitsers daar woonden; ik ben daar slechts één of twee keer geweest. Het was een romantische, heel mooie plek met een waterput in het midden. Ik herinner me dat er drie jongens in werden gegooid die water naar boven moesten halen. Beneden was er weinig zuurstof. Of de Oekraïners daar ook woonden, weet ik niet; met de Oekraïners had ik niets te maken. Ik weet alleen dat twee Oekraïners ons bij de opstand hebben geholpen.
Lager 2: Daar heb ik gewerkt. Nr. 22 was, naar ik meen, de barak waar we doorheen liepen en de bagage afgaven. Wanneer de mensen erdoorheen waren gegaan, werd de bagage naar nr. 23 en 24 gebracht en gesorteerd. Nr. 25, 26: Ik geloof dat de mensen zich daar moesten uitkleden en dat daar de toespraak werd gehouden; ik neem dat slechts aan, precies weet ik het niet. Men kon het van een afstand zien; op zich was het helemaal niet toegestaan om iets te observeren in het kamp. In de sorteerbarak lette Wolf heel goed op, maar een meisje had altijd de taak om door het vuile raam te kijken wat er gebeurde. De barak waarin wij werkten, lag dwars tegen barak 22 aan (zoals barak 23 ten opzichte van 22). Ik heb de hele tijd in de bagagesortering gewerkt, net zolang tot er geen transporten meer kwamen. Daarna moesten we in het bos een „Koninkrijk der Joden” oprichten, zoals ons werd verteld.
De spullen werden door ons gesorteerd en in Lager 2 bewaard; met tussenpozen werden ze in wagons weggevoerd. We moesten de spullen in de wagons dragen. Er waren speciale magazijnbarakken; waar die precies stonden, weet ik niet meer. Mijn vriendin werkte bij de kassa. Zij zei dat daar glazen vitrines stonden met goud, zilver, briljanten, diamanten, enz.
De mensen uit Nederland hadden bagage bij zich die men nodig had voor werk, omdat hun verteld was dat ze kwamen om te werken. Ze hadden eventueel ook beddengoed bij zich. De Russische transporten hadden helemaal geen kleren bij zich, alleen goud en kostbaarheden. De mensen uit West-Europa die aankwamen, waren naïever.
De stippellijn van het perron naar Lager 3 zou de lorriebaan kunnen zijn. Eenmaal heb ik zelf gezien hoe mensen daarop gegooid werden. Hoe het lorriespoor liep, weet ik niet.
Eenmaal werden we tot voor Lager 3 gebracht; dat was toen het Waldkommando werd doodgeschoten. Eenmaal heeft Frenzel ons ’s nachts uit de barakken gehaald en ons voorgespiegeld dat we nu naar Lager 3 gingen.
Ik had vooral met Niemann en heel in het bijzonder met Wolf te maken. Hij werkte met de meisjes in het sorteerkamp. Ik geloof, maar dat weet ik niet zeker, dat hij er al was toen wij aankwamen. Frenzel was overal bij betrokken. Zijn eigenlijke taak weet ik niet. Wagner was zeer actief.
Behalve dezen ken ik nog de broer van Wolf, Beckmann, Bauer, Müller. Over Bauer werd verteld dat hij in Lager 3 werkte. Van Beckmann weet ik niet wat zijn eigenlijke taak was; hij zat vaak bij ons. De broer van Wolf was niet bij ons; ik kan de beide broers Wolf (zeer zeker) uit elkaar houden. De andere was kleiner en blond; hij kwam vaak om met zijn broer te praten.
Wanneer we vanuit Lager 1 naar het werk gingen, moesten we door een poort. Of daar een wachtpost stond, weet ik niet meer. ’s Morgens werd er op een fluitje geblazen. Dan moesten we aantreden voor het appèl. Ik geloof dat de Joodse kapo floot. Het appèl werd meestal door Frenzel afgenomen. Hoe het appèl verliep, hing geheel af van zijn humeur. Soms werd er vaak geteld en moesten we lang staan.
Toen we er ongeveer een week waren, heette het bij het appèl dat de Joden uit Nederland naar voren moesten treden. Er was een blok mannen en een blok vrouwen. De mannen stonden rechts, de anderen links. De mannen traden naar voren, wij erachteraan. Bij de poort naar Lager 1 zei Frenzel dat de vrouwen moesten terugtreden. Met de 72 Nederlandse mannen ging hij weg; onder hen waren veel bekenden van mij. Na enige tijd kwam hij met bloed bespat terug en hield een toespraak. Die had ongeveer de volgende inhoud: we moesten geen domme dingen zoals weglopen in ons hoofd halen. Anders zouden wij ook worden doodgeschoten. Het waren 72 mannen; er was een schilder [Max van Dam] bij die portretten schilderde; die heeft men achtergelaten. Wie hem apart heeft gezet, weet ik niet. Of er bij dit voorval behalve Frenzel andere SS’ers aanwezig waren, weet ik niet. Frenzel was er zeker bij; hij was daarbij de dominante figuur.
Ik herinner me dat een Nederlandse vrouw een keer riep: „Als jullie hem (bedoeld werd een man die werd weggevoerd) meenemen, neem mij dan ook mee.” Zij werd later dan ook meegestuurd. Ik weet echter niet of dat bij dit voorval of bij een ander voorval was.
Vaker liet men ons in een kring rondlopen en koos men er dan een paar uit die naar Lager 3 gingen.
Desgevraagd of er ook twee tekenaressen waren afgezonderd: Die werden niet speciaal afgezonderd, die zijn met ons, vrouwen, achtergebleven, omdat alle vrouwen achterbleven. Eén van deze tekenaressen heette Li van Staden.
Desgevraagd of Niemann erbij aanwezig was: Voor ons was het niet belangrijk wie er hoger of lager in rang was; ik geloof dat Niemann hoger in rang was dan Frenzel. Maar bij alle gevallen waarin Frenzel betrokken was, heb ik nooit meegemaakt dat Frenzel bijvoorbeeld terugging om bij Niemann een bevel te halen. Ik weet precies dat Frenzel ons bij het voorval met de Nederlanders heeft teruggestuurd.
De kampcommandant heeft nooit tot ons gesproken; hij liep zelden en nooit alleen door het kamp. Ik geloof dat men hem ook Hauptmann noemde. Hij is misschien twee tot drie keer langs mij gelopen. Of hij Reichleitner heette, weet ik niet.
Desgevraagd door advocaat Rothardt: Wolf was wel verantwoordelijk voor ons werk; hij hield elke dag toezicht op ons in de sorteerbarak.
Desgevraagd door de voorzitter: Of de 72 Nederlanders zijn doodgeschoten, weet ik niet, aangezien ik er niet bij was.
In de zes maanden dat ik in Sobibor was, stond Frenzel eigenlijk altijd in het middelpunt; hij voerde zijn taak uit met vreugde en sadistisch genoegen. Ik zie hem voor me als iemand die straalde van geluk; hoe meer transporten er kwamen, des te meer hij straalde. Tegen ons Nederlanders sprak hij alsof hij begreep dat wij zijn geluk konden meevoelen.
Een keer deed een Nederlandse Jood een zelfmoordpoging. Hij werd ’s morgens met een deken naar het appèl gedragen. Frenzel vroeg uiterst verontwaardigd: „Sinds wanneer denk jij, Jood, dat jij jezelf van het leven kunt beroven; dat is alleen óns recht.” Hij schoot hem voor onze ogen dood en hield een hele mooie toespraak. Zijn gedrag daarbij toonde hoe gelukkig hij was om ons als slaven en zichzelf als Übermensch te voelen. Soms riep hij ons uit de barak en liet ons gaan liggen, opstaan, weer gaan liggen en opstaan, net zolang tot meisjes omvielen; dan sloeg hij hen en liet ze overeind helpen.
Eén keer zijn er twee mensen van het Waldkommando weggelopen. We moesten voor Lager 3 staan toen ze aankwamen. Ze kwamen op hun knieën aangekropen, de handen op de rug. We stonden er in een vierkant omheen. Men (wie weet ik niet) gaf het bevel hen dood te schieten. Frenzel was erbij; toen ze waren omgevallen, liep Frenzel er met Wagner naartoe en schoot nogmaals op ieder van hen.
Eén keer, toen hij dronken was, haalde Frenzel ’s nachts alle meisjes uit de barak waar we sliepen. Hij liep met ons tot voor Lager 3. Hij wilde ons angst aanjagen, onze angst zien en ervan genieten.
Toen zei hij: „Ik breng jullie nu weer terug naar jullie slaapbarak.”
Een keer moesten we op bevel van Frenzel ’s nachts papieren oprapen op het pad naar Lager 3, die daar rondlagen.
Desgevraagd door de voorzitter: Hoe de Jood over wie ik zojuist sprak zelfmoord wilde plegen, weet ik niet. Na voorhouding van Deel 3, Blad 30 (hij zou op de draden zijn afgerend): Ik ben er zeker van dat het zo was zoals ik het vandaag zeg. Destijds, bij mijn verhoor, leefde ik niet meer zo in de herinnering als vandaag. Ik herinner me nu precies dat hij in een deken voor Frenzel werd neergelegd. Ik geloof, maar weet dat niet helemaal zeker, dat hij zijn slagader had doorgesneden. Ik weet niet of de draad rondom het kamp onder stroom stond. Bij de vlucht was deze niet geëlektrificeerd. Of er isolatoren aan de hekken zaten, weet ik niet, maar ik denk het ook niet.
Desgevraagd door rechter Dr. Höhler of de getuige dit geval met een soortgelijk geval heeft verward: Ik weet het niet; misschien heb ik het destijds verward met de vluchtpoging onder de draad door.
Over de vluchtpoging onder de draad door weet ik vandaag niets nauwkeurigs meer; ik weet wel dat er enkelen voor zijn doodgeschoten, maar weet dat niet meer goed.
Van een andere, eerdere vluchtpoging hoorde ik in het kamp door verhalen. Er is er één in een wagon gevlucht; ik ben hem na de oorlog toevallig in Nederland weer tegengekomen (1945). Die leeft vermoedelijk nog in Israël. Hoe hij heet, weet ik niet; destijds was hij lid van het Israëlische leger en in Nederland ingezet als lid van het Joodse bevrijdingskorps.
Desgevraagd door de voorzitter: Ik ben na de oorlog in Nederland door het Rode Kruis verhoord, dat klopt. De verklaringen over de gaskamers kon ik alleen van horen zeggen afleggen, aangezien ik noch met de Oekraïners, noch met de Duitsers ooit een persoonlijk woord heb gesproken. Dat er regelmatig twee keer per week transporten uit Nederland aankwamen, weet ik omdat we de pakketten van deze mensen sorteerden. In de eerste maanden kwamen er twee keer per week transporten, later niet meer, voor zover ik weet.
Daarnaast kwamen er ook andere transporten. Die boden deels hevig verzet. Soms hoorden we de hele dag geschreeuw en geschiet in het kamp. Er kwam een transport aan waarvan de meesten al dood waren; de overigen verdedigden zich met flessen enz. Er kwam ook een transport met Russische krijgsgevangenen, van wie een deel voor de arbeid werd geselecteerd. Toen we in het bos moesten werken, kwamen er geen transporten. De Russische transporten kwamen vermoedelijk pas daarna weer.
Na voorhouding dat zij vroeger heeft verklaard dat zestien meisjes en dertig mannen waren uitgekozen en dat zij in 1960 heeft gezegd dat 70 personen waren geselecteerd: Precies weet ik het vandaag niet meer. Ik ken de meesten bij naam. Als er mannen bij waren die werden geselecteerd, dan zijn zij al spoedig weggevoerd en vermoord.
Desgevraagd door de officier van justitie: Vóór ons waren er ook al Nederlandse Joden als dwangarbeiders (Arbeitsjuden); later zijn er ook een of twee keer Nederlanders als dwangarbeiders geselecteerd. Mevrouw Engel ken ik, zij is samen met mij aangekomen. Na voorhouding dat de transportlijst uitgaat van 34.313 Joden: De Duitsers waren zeer grondig in hun opgaven. Vermoedelijk heeft het Nederlandse Rode Kruis de gegevens van Westerbork overgenomen. Deze zullen wel kloppen.
Enige consideratie met zieken of gebrekkigen was er in Sobibor niet. Die werden op de lorries gegooid alsof men er mest op gooide. Daarbij raakten ook mensen en kinderen gewond. Frenzel deed ook strafoefeningen met mannen, geheel naar eigen luim. Waar het Waldkommando is doodgeschoten, kan ik aan de hand van de schets niet aanwijzen; het was in ieder geval in de richting van Lager 3. Frenzel en Wagner brachten ons erheen. Wie er verder nog bij was, weet ik niet. Alle kampgevangenen stonden daarbij in twee of drie rijen achter elkaar. Hoeveel er gedood werden, weet ik werkelijk niet. We stonden in een vierkant dat aan één kant open was. Ik stond niet ver van de Duitsers vandaan aan de linkerkant. De mensen van het arbeidscommando stonden toen ze werden doodgeschoten; ze werden van voren doodgeschoten. Ik weet niet of eerst de Oekraïners schoten.
(Frenzel staat op): De getuige verklaart: Ik herken hem niet meer. Frenzel verklaart: Het klopt niet wat de getuige zegt.
(Handschriftelijk: Thans trad advocaat Dr. Klinkhardt weer op voor de verdachte Wolf.)
Desgevraagd door de voorzitter: Getuige: Of Wolf bij de executie van het Waldkommando aanwezig was en ons erheen leidde, weet ik niet meer.
Desgevraagd door Dr. Höhler: Hoeveel er minstens zijn doodgeschoten? Weet ik niet precies, misschien 20.
Desgevraagd door advocaat Reintzsch: (Na voorhouding van Deel 3, Blad 31, inhoudende dat het Waldkommando naar de gaskamer zou zijn gebracht): Maar ze zijn doodgeschoten. In Tel Aviv heb ik niet onder ede getuigd. Het was lange tijd geleden. Ik had er destijds veel afstand van genomen. Hier word ik geconfronteerd met personen en zeer gedetailleerd ondervraagd. Nu heb ik me er, in tegenstelling tot vroeger, systematisch mee beziggehouden. Wat ik nu heb gezegd, is juist.
Bij het selecteren na de aankomst van ons transport wees Frenzel met de zweep wie naar rechts en wie naar links moest. Of Frenzel bij het Bahnhofskommando (stationscommando) was, weet ik niet. Ik weet met zekerheid dat er bij het uitladen honden de wagons in werden gejaagd; het waren grote, gevaarlijke honden. De SS’ers spraken met trots over de honden en over hoeveel mensen de honden die dag weer hadden besprongen. Dat was nog later. Aan het perron was ik alleen bij het uitladen van ons transport, later alleen bij het inladen van de wagons. Alleen bij onze aankomst heb ik gezien dat er mensen op lorries werden gegooid. Dat zag ik toen we naar de bagagebarak liepen. Ik stond naast de lorries; de lorries waren rechts van mij.
Over de opstand: Men had ons toestemming gegeven om op de Joodse feestdag Jom Kippoer (Grote Verzoendag, 1943: 9 en 10 oktober) met zijn allen in één barak bijeen te komen. De mannen vroegen ons heel luid te bidden en te huilen. Een kleine groep Russische en Poolse gevangenen wilde ondertussen met elkaar overleggen; in die tijd werd mij het plan voor de opstand en de vlucht meegedeeld. Ik mocht het niet doorvertellen, omdat al eerder één of twee vluchtpogingen waren mislukt. We moesten ons elke dag warm aankleden. Er werd gezegd dat we ervoor moesten zorgen dat er ten minste één naar buiten kwam. Ik sprak er ook niet over. Ik had een aan vlektyfus lijdende vriendin die in Nederland al twee keer was gevlucht. Zij wilde in vrijheid sterven. Ik vertelde het haar echter niet, uit angst dat ze er in haar koorts over zou gaan praten.
Wanneer de opstand zou moeten plaatsvinden, werd niet gezegd. Men zei dat men in het kamp contact had opgenomen met partizanen. De dagen gingen voorbij, we kleedden ons steeds warm aan. Op 14 oktober 1943 ’s morgens fluisterde iemand mij toe dat het vandaag ging beginnen, omdat het met het kamp toch afgelopen was. Op hulp van buitenaf kon men niet langer wachten. ’s Middags werden diverse Duitse SS’ers vermoord. Tegen appèltijd was onze gemoedstoestand uiterst gespannen. Er klonk het signaal voor het appèl. Min of meer langzaam liepen we in de richting van Lager 1. Toen kwam het signaal om weg te rennen; we renden naar het prikkeldraad. Frenzel zat achter een vat verstopt en schoot. Hij heeft mijn vriendin Käthi in het been geraakt. We zijn over het prikkeldraad geklommen en lieten ons aan de andere kant naar beneden vallen. Mijn vriendin werkte in het Voorkamp bij de kassa. We kwamen elkaar tegen; zij zei: „Frenzel heeft op mij geschoten, ik heb een schotwond in mijn been.” Buiten het hek ontmoetten we ook Edda Lichtmann en drie Fransen; we hebben gerend tot het donker werd en hebben ons in het bos verstopt. Bij ons was nog een Duits meisje met een buikschot. De volgende ochtend zijn we heel vroeg verder gegaan. Het Duitse meisje met het buikschot lieten we achter bij Poolse boeren die voor haar wilden zorgen. De Fransen hebben we niet meer teruggevonden; we zijn met z’n drieën verder gegaan, ongeveer twee of drie dagen lang, tot we zonder eten niet meer verder konden lopen. Mijn vriendin zag er heel Joods uit. We verborgen haar. Edda en ik wilden in een Pools dorp om eten bedelen. Er kwam een heer in een zwart uniform met zwarte laarzen op ons af. Edda zei: „Dat is vast een nazi.” Maar we konden niet weglopen, omdat hij ons al gezien had. We zeiden hem dat we uit een Pools werkkamp waren weggelopen. Edda had geld. Hij begreep meteen dat we uit Sobibor kwamen. We waren in een cirkel gelopen en waren nog steeds in de buurt van het kamp. Hij verborg ons in een klein bos. In Nederland kon je als Jood de christenen vertrouwen; in Polen was er veel antisemitisme. Maar deze heer kwam toch met eten enz. naar ons terug. De heer kende de Duitsers, ook Frenzel, heel goed. Hij had met Frenzel vaak in het café gezeten. We waren heel dicht bij het kamp en hoorden de hele dag hysterisch geschreeuw van de Duitsers uit de richting van het kamp komen. Tegen de avond kwam er een Poolse jongen van tien of twaalf jaar oud, die ons vertelde dat de heer in de herberg zat en dronk. In die toestand zou hij iets kunnen verklappen. De jongen bracht ons allen onmiddellijk naar een plek midden in het diepe bos. Hij zei dat de partizanen daar vaak kwamen. We zwierven vervolgens nog drie tot vier dagen alleen door de streek rond. Mijn vriendin was er weer bij. We haalden eten bij Poolse boeren. Een boer die gedeserteerd was, wilde ons bij zich houden. Edda liet dat echter niet toe, omdat ze zei dat je niemand kon vertrouwen. Na twee of drie dagen kwamen we vervolgens in contact met de Joodse partizanen. Daar ben ik gebleven tot 23 juni 1944, toen de Russen kwamen. Mijn vriendin [Kathy Gokkes] sneuvelde nog op de laatste dag, 10 minuten voor de bevrijding. Mevrouw Lichtmann had een vriend in het kamp; die trof zij in het bos bij de partizanen weer (de heer Lichtmann).
Desgevraagd door de voorzitter: Frenzel schoot op de vluchtenden; hij lag achter een vat. Ik heb hem gezien. Waar ik over het hek ben gegaan, weet ik werkelijk niet precies. Ik rende eerst in de richting van de poort, d.w.z. daar zag ik Mira liggen. Ik rende toen in een andere richting. Ik stond vervolgens voor het zeer hoge prikkeldraad; ik geloof dat Frenzel links van mij stond; het is heel moeilijk om dat te reconstrueren. Wat voor wapen hij had, weet ik niet. Daar heb ik niet op gelet, het ging er ons immers om weg te komen. Het kan zijn dat Frenzel in de buurt van de poort stond. Wachttorens stonden overal, ik geloof ook in Lager 2.
Desgevraagd door rechter Dr. Höhler: Toen we buiten kwamen, hebben we aanvankelijk niet over de Duitsers gesproken. Of andere Duitsers of Oekraïners ook schoten, weet ik niet. Evenmin of Bauer schoot. Dubois (staat op): Ik weet niet waar Dubois was. Ik weet wel dat mensen van ons wapens uit de wapenkamer van de Oekraïners hadden gekregen.
Desgevraagd door de voorzitter: Excessen zijn mij ook van andere kampmedewerkers bekend, van diegenen die hier niet zijn en ook van Wolf. Toen ik in de sorteerbarak was, stond hij daar elke dag, behalve wanneer hij met verlof was. Hij was een voortdurende bedreiging voor ons. Hij genoot intens van iedere sadistische opmerking. Ik herinner me het volgende heel goed: toen mijn vriendin bij het sorteren de kleren van haar ouders vond, begon zij, tegen onze afspraak in om onze gevoelens niet te tonen, te huilen. Wolf kwam erbij staan en vroeg met groot cynisme: „Waarom huil je?” Zij antwoordde: „Ik voel me niet goed.” Hij vroeg: „Waar zijn je ouders eigenlijk?” Zij: „In Zwitserland.” Wolf: „Dat is typisch Joods, de ouders naar Zwitserland in veiligheid brengen en de kinderen naar Sobibor sturen.” Vervolgens vroeg hij aan ons allen waar onze ouders waren. Ik zei: „De mijne zijn in Palestina.” Wolf zei daarop: „Geen zorgen, wij Duitsers komen ook naar Palestina en roeien daar de Joden ook uit.”
Wolf zei dat hij de boeken van Dr. Theodor Herzl had gelezen. De Joodse expansiedrift was hem bekend, maar Duitsland zou Israël nog wel veroveren. Zijn lijfspreuk was: „Dalli dalli meine Damen, Arbeit macht das Leben süß” (Vooruit, vooruit dames, werk maakt het leven zoet). Meestal vergezelde hij deze spreuk met zweepslagen in het gezicht. Mij heeft hij ook geslagen bij het inladen van de wagons. We werkten daarbij in looppas; hij sloeg om het werk zoeter te maken.
Een keer hield hij een toespraak over de Joodse uitbuiting. Hij vroeg aan ieder van ons wat onze ouders voor werk hadden gedaan. Wij antwoordden: slager, schoenmaker, arbeider, enz. Hij sloeg mijn vriendin Minny [Cats] — haar vader was een zeer bekende professor (Cats) in Nederland — hij sloeg haar in het gezicht en zei dat het wereldwijd bekend was dat de Joden niet konden en niet wilden werken en dat ze alleen maar konden parasiteren. Hij zei vervolgens: „Daar maken wij een einde aan”. Wolf was een constante bedreiging voor ons; hij ging naast en achter ons staan en hij deed dat met een verfijnd sadisme.
Een bijnaam voor Wolf weet ik niet. Wel voor Wagner. Tussen Frenzel en Wolf bestond geen verschil; we moesten voor ieder van hen oppassen, bij allen zat het pistool los. Mevrouw Engel werkte met mij, mevrouw Lichtmann niet, ik geloof dat ook mevrouw Raab niet met mij werkte.
Frenzel noemden we „de Slager” (Metzger), hij was gespeend van iedere opvoeding en intelligentie. Hij was alleen in staat om zijn sadisme op een grove en lompe manier uit te oefenen. Wolf had een beetje meer ontwikkeling. Hij was een beetje cynischer, maar niet minder gevaarlijk. Hem kon men niet vertrouwen.
Wagner bezat werkelijke intelligentie, maar was daardoor nog gevaarlijker. Het resultaat was telkens hetzelfde. Over Klier heb ik alleen horen spreken. Hij zou hebben gezegd dat het kamp op het punt van liquidatie stond en dat we moesten proberen weg te komen.
De naam Stefiel zegt mij niets. Ik geloof niet dat er verschillen tussen de SS’ers waren. We hebben niemand vertrouwd, ook Klier niet. In mijn ogen zijn ze allen schuldig/belast. Gomerski ken ik. Hij was niet erger, maar ook niet minder erg dan de anderen.
Wolf sloeg bij iedere gelegenheid met de zweep. Verdachte Wolf verklaart: Ik heb nooit zulke toespraken gehouden. Behalve in het door mij geschetste geval heb ik ook nooit geslagen; ik kan me de getuige niet herinneren.
Getuige vervolgt: De broer van Wolf is bij de opstand vermoord. Ik wist dat hij gedood zou worden en heb na de opstand, nog in Polen bij de partizanen, vernomen dat Wolf was gedood. Wij vonden het jammer dat het díé Wolf was en niet de andere. We vonden het heel jammer dat déze Wolf ontkomen was, niet dat de andere was omgekomen. Naar mijn mening was deze Wolf, net als Wagner, tijdens de opstand niet in het kamp aanwezig.
Toen ik bij het Waldkommando werkte (ons werd verteld dat het Koninkrijk der Joden daar moest worden ingericht), moesten we diepe greppels graven en betonnen ringen laten zakken. Aanvankelijk hadden daar vermoedelijk alleen mannen gewerkt. Die hadden veel minder te eten, alleen haversoep. Wij in de sorteerbarak namen met gevaar voor eigen leven eten mee naar Lager 1 om het ’s avonds aan de mannen te geven. De mannen werden nog meer dan wij geslagen (50 en 100 slagen). Omdat de mannen door uitputting de zware betonnen ringen niet konden tillen, werden wij gehaald. Of er mensen van Lager 3 hebben gewerkt, weet ik niet. Wie in Lager 3 kwam, kwam niet meer terug. Soms ontvingen de Joden uit Polen brieven van diegenen uit Lager 3.
Een Nederlandse jongen van zestien jaar moest daar het eten naartoe brengen. Hij was met de lorrie te ver doorgereden en kwam niet meer terug.
Mevrouw Metz-Kelberman ken ik; of we hebben samengewerkt, weet ik niet meer. Van namen in het hout van de bunkers in Lager 4 weet ik niets. Mij is alleen bekend dat wij Nederlanders ons aan het einde van de wereld voelden. Onze enige interesse was om te proberen stand te houden en het einde van de oorlog mee te maken. De Poolse Joden leefden veel bewuster dan wij en met grotere hoop om eruit te komen. Zij hebben bewuster geleefd. Ik geloof dat er in Lager 3 alleen Joden uit Polen waren.
Een Nederlands meisje (Betti) haalde uit een rugzak een handvol briljanten tevoorschijn. Mira, een meisje uit Polen, sloeg het uit haar hand en wilde het in de vloer trappen. Wolf zag het en eigende zich de briljanten toe. Hij liep ermee weg. Tevoren deelde hij zweepslagen uit. Hij zei daarbij dat alles wat de Joden gestolen hadden, moest terugkeren naar het Duitse Rijk.
De Poolse meisjes zeiden ons dat we niet zo naïef moesten zijn om de briljanten aan de SS te geven; we moesten ze in de grond trappen, anders zouden we alleen maar helpen de oorlog verder te financieren.
De Poolse Joden hadden sinds 1939 zware tijden doorgemaakt; zij hadden de brutaliteit van de Duitsers leren kennen. Wij uit Nederland hadden dat niet zo meegemaakt. Onze instelling was te kinderlijk; dat irriteerde de Poolse Jodinnen soms. Arm en rijk speelde in het kamp geen rol, er waren ook geen spanningen op het persoonlijke vlak.
Ik geloof dat de 72 Nederlanders werkelijk hadden willen vluchten; een hoge Nederlandse officier [Jozeph Jacobs] zou, naar werd verteld, de vlucht hebben gepland en georganiseerd. Het was zeer zeker een geplande vlucht en niet een verklikking door de Poolse Joden ten opzichte van de Nederlandse Joden.
Op 14 oktober heb ik, geloof ik, niet gewerkt. Deze Wolf die hier zit, was voor zover ik weet niet in het kamp; hij zou ook zijn omgebracht als men hem te pakken had gekregen.
Desgevraagd door rechter Dr. Höhler: Van een lijst bij de opstand weet ik niets. Over de liquidatie van het personeel/de gevangenen in Lager 3 heb ik alleen horen vertellen. Of dat vóór of na mijn aankomst zou zijn geweest, weet ik niet meer. Aan een grote schietpartij vanuit de richting van Lager 3 herinner ik me. We hebben de hele nacht wakker gelegen. Er was een transport aangekomen waarbij de mensen vermoedelijk hadden geweigerd uit te stappen. Frenzel had ons ’s nachts uit bed gehaald en door bewakers laten omsingelen. Frenzel heeft ons heel vaak, zeven tot tien keer, geteld. Hij was erg kwaad. Wat er precies aan de hand was, weet ik niet. We dachten dat men van buitenaf had geprobeerd het kamp te veroveren. Misschien klopte dat echter helemaal niet en wilden we het in onze hoop maar al te graag geloven.
Over het kamp Belzec vertelden mensen uit Polen dat het nog erger was geweest dan Sobibor. Toen men erover sprak dat Sobibor geliquideerd zou worden, wisten we dat Belzec al eerder was geliquideerd en dat de rest van de Joden naar Sobibor was gebracht. Ik geloof dat in het kamp werd verteld dat zij zich hevig hadden verzet. In de kleding werden ook brieven gevonden; of dat in de kleding van de mensen uit Belzec was, weet ik niet.
Ik geloof dat er een keer een transport uit een getto met Duitse Joden uit Polen of Rusland is aangekomen. Welk getto dat was, weet ik niet, maar er waren Duitsers bij. Preciezere details weet ik niet. Aan mensen in gestreepte pakken herinner ik me niets.
Of Wolf een kapo had, weet ik niet. Bij ons was een dame verantwoordelijk voor de groep. Of Frenzel een kapo had, weet ik niet. De kapo Moshe is mij bekend. Hij droeg een zweep. Of hij moest geselen/slaan, weet ik niet. Moshe is doodgeschoten, dat weet ik. Ik herinner me er wel iets van, maar niet precies. Een Josef Pelz ken ik niet.
Decimering: Toen mensen van het Bahnhofskommando probeerden onder het hek door te graven, zijn er vermoedelijk enkelen doodgeschoten. (Na voorhouding van de beschrijving door andere getuigen van dit voorval): Ja, daar was ik bij aanwezig. Wie er gevlucht was, weet ik niet, en ook niet wanneer. We moesten aantreden, ik geloof in Lager 1. Wie het bevel voerde, weet ik niet, evenmin wie het aftellen beval en wie elke 10e persoon eruit haalde. Ik weet ook niet of dat Frenzel was. De namen Schol of Stark zeggen mij niets.
Desgevraagd door de officier van justitie: Ik weet dat Wolf bij de aankomst van transporten vaak op het pad tussen de wagons en barak 22 stond. Ik heb in de bagagesortering (pakkettensortering) gewerkt; de kledingsortering lag ergens anders. Die plek ken ik, maar ik heb er niet gewerkt. Wat betreft het Waldkommando weet ik niet of Frenzel of Wolf of beiden het toezicht hadden. We moesten graven, bomen dragen, zand transporteren; een keer moesten we ook meikevers vangen. Ik geloof dat we ook een keer bosbessen moesten plukken. Of dat voor Frenzel was, weet ik niet.
Unverhau (staat op): Ik herken hem niet. Dubois (staat op): Ik herken hem niet.
Mijn vriendin zei na de opstand dat ze door Frenzel gewond was geraakt. Of Wolf bij de executie van het Waldkommando aanwezig was, weet ik niet, en ook niet of hij ons daarheen heeft gebracht. Wolf had een keer een verband om zijn arm; waarom, weet ik niet meer. Hij droeg het verband gedurende langere tijd. Of de arm in het gips zat of in een mitella, weet ik niet.
Met betrekking tot de waterput weet ik dat … daar water haalden … liep … Een van hen woont nog in Haifa/Israël. De naam weet ik niet. [Na voorhouding:]
Goldfarb? Ja. Ik moest blijven staan. Frenzel en Richter stonden bij de put. De twee broers moesten naar beneden gaan en water halen. Ze kwamen telkens blauw aangelopen weer naar boven, omdat er beneden geen zuurstof was. Frenzel beleefde daar sadistisch genoegen aan. Toen hadden ze geen kracht meer. Frenzel sloeg hen eerst en stuurde hen nogmaals naar beneden. Vervolgens bleven de Joden liggen. Iemand van ons leidde hen weg. Beiden hebben het overleefd. Frenzel had daarbij het bevel en hij heeft daarbij meerdere keren geslagen. De put was naar mijn mening erg diep. Aan de bovenkant waren stenen; of er vanbinnen ook stenen waren, weet ik niet. De put was in het midden waar de huizen van de Duitse SS’ers en het casino/de kantine stonden. Ik geloof dat de put was afgedekt.
Bolender (staat op): Die is mij, geloof ik, niet bekend. De foto nr. 31 herken ik ook niet.
Desgevraagd door advocaat Reintzsch: De heer Engel was slechts korte tijd werkzaam bij de sortering; hij was geen kapo. Een keer heeft Wagner iemand die een blikje sardines had meegenomen naast de barak doodgeschoten. Zoiets kwam vaak voor. Frenzel deed dat ook. Bij Wagner was het zo dat hij tegen mij zei: „Blijf hier staan en kijk toe wat er gebeurt.” Een hospik/ziekenbroeder Thomas is mij niet bekend. Joodse artsen waren er misschien wel, maar niet voor onze behandeling. Als Frenzel bij het appèl iemand met verwondingen zag, ging die naar Kamp 3. Een tandarts Brösler of Breslauer is mij niet bekend.
Desgevraagd door rechter Dr. Höhler: (Inzake het geval Frenzel en het blikje sardines): We namen vaker levensmiddelen mee naar Kamp 1 in de barak. Frenzel liet mensen, ook meisjes, zich naakt uitkleden ter controle. Een keer, dat herinner ik me, de meisjes Hetty, Herschel en Jetty Heimanns. Bij hen werd niets gevonden. Door andere meisjes werd verteld dat Frenzel meisjes had doodgeschoten wegens gevonden blikjes sardines. Frenzel riep Hetty een keer naar voren en een andere keer Jetty; beiden moesten zich voor iedereen uitkleden ter controle. Bij beiden vond hij niets. In mijn kist heeft hij bij anderen ook niets gevonden.
We moesten na het werk aantreden en op de terugweg zingen, ook antisemitische liederen, zoals bijvoorbeeld: „Krumme Juden ziehn dahin, Mach die Klappe zu, die Welt hat Ruh” (Kromme Joden trekken heen, hou je mond, dan heeft de wereld rust).
Desgevraagd door de voorzitter: De naam „Käti” is mij bekend, hij was een goede vriend van ons.
Als een meisje in de barak bleef liggen, moest ze al volkomen apathisch zijn. Meestal betekende dat de zekere dood. Men noemde dat: naar het lazaret brengen. Anders namen we de meisjes mee naar het appèl en naar het tellen. Op het laatst waren alle werkzaamheden in het kamp stilgelegd; we lagen in de zon en wachtten op de liquidatie. Daarom kon ook de aan vlektyfus lijdende vriendin kort voor de opstand in bed blijven. Zolang er nog gewerkt werd, was dat niet mogelijk.
Desgevraagd door advocaat Reintzsch: Vanaf de appèls naar het werk werden we weggeleid door degene die het toezicht had, zo geloof ik tenminste. Een verkrachting heb ik niet gezien; wel heeft Wagner Käthi een of twee keer aangeboden haar het kamp uit te brengen. Zij werkte bij de kassa en hij zei dat hij van haar hield. Ze moest op een bepaalde plek gaan staan, dan zou hij haar naar buiten leiden. Käthi was bang, omdat anderen hadden gezegd dat het al eerder was gebeurd dat meisjes buiten werden doodgeschoten.
Na voorhouding van Deel 3, Blad 30 (in de vertaling staat ‘verkrachtte’; de tolk Zapkei vertaalt de passage uit het origineel en legt uit dat het in het Hebreeuws niet „verkrachtte” betekent, maar „kwelde/folterde”!):
Desgevraagd door advocaat Dr. Klinkhardt: Voor de opstand was vooraf bepaald wie wie moest doden. Ik ben meerdere malen door Wolf met de zweep geslagen. De eerste keer toen we in looppas de wagon moesten beladen. Hij stond aan één kant en sloeg telkens bij het voorbijlopen met de zweep. Daarna werd ik in de barak geslagen toen de diamanten werden gevonden.
Wij verzorgden de mannen met gevaar voor eigen leven met voedsel. Wolf was desondanks een zeer strenge opzichter. We waren er zeer bedreven in om iets mee te nemen wanneer hij niet keek. (Op de vraag waarom zij vroeger niet heeft verklaard dat zij door Wolf was geslagen): Ik geloof dat mijn verklaring in Tel Aviv slechts een kort overzicht is; ik heb maar ongeveer één pagina verklaard, maar ik zou er wel 5 of 6 boeken over vol kunnen schrijven. Toen Wolf naar Käthi toeliep en haar naar haar ouders vroeg, wist hij het weliswaar niet zeker, maar ging hij er naar mijn vaste overtuiging van uit dat haar ouders dood waren en dat zij daarom huilde. Ik heb Wolfs opmerkingen heus niet verkeerd begrepen. Ze waren cynisch.
Desgevraagd door de officier van justitie: Wie het toezicht had op de Oekraïners weet ik niet, en ook niet hoe hij eruitzag. Lachmann (staat op): die ken ik niet. Jührs (staat op): ken ik niet. Zierke: die naam zegt mij niets.
De verdachte Wolf vraagt: Ik zou graag willen weten waar de getuige op de middag van de opstand is geweest; iedereen werkte toch immers? Getuige: Ik weet precies dat we enkele dagen, maar niet langer dan een week, niet meer werkten. Nu schiet het me weer te binnen. ’s Ochtends hebben we in de strijkkamer gewacht op het signaal om weg te rennen. Er waren dames uit Duitsland en een meisje uit Polen. We discussieerden; ik was destijds zeventien jaar oud.
Desgevraagd door advocaat Dr. Klinkhardt: De foto’s zijn mij in 1962 in Israël voorgelegd; ik heb destijds niemand herkend, ik had geprobeerd de mensen te vergeten.
De officier van justitie verzocht om beëdiging van de getuige Safran. Advocaat Dr. Klinkhardt maakte bezwaar tegen een beëdiging. De overige raadslieden legden ten aanzien van de beëdiging geen verklaring af.
Besloten en uitgesproken (B.u.v.):
De getuige Safran zal worden beëdigd. De getuige werd beëdigd en vervolgens met algemene instemming heengezonden.
De hoofdbehandeling werd op 8 november 1965 om 15:15 uur onderbroken tot 9 november 1965 om 9:00 uur.
Het proces-verbaal werd opgemaakt op 20 november 1965
(Handtekeningen)

