Getuigenverklaring van Ursula Stern

RIJKSINSTITUUT VOOR OORLOGSDOCUMENTATIE
(RIJKSINSTITUUT VOOR DE DOCUMENTATIE EN DE GESCHIEDSCHRIJVING VAN NEDERLAND IN OORLOGSTIJD)
Directie: Prof. Mr. N. W. Posthumus, A’dam; Prof. Mr. B. H. D. Hermesdorf, Nijmegen; Prof. Dr. Z. W. Sneller, Rotterdam

AMSTERDAM, Heerengracht 479
‘s-GRAVENHAGE, Pompstationsweg 7
NIJMEGEN, Groesbeekscheweg 195
ROTTERDAM, Bergsingel 124
Amsterdam, 13 November 1945
Tel. 30065
[Archiefverwijzing: Stern, Ursula / Sobibor]

V E R K L A R I N G

Getuige: Mejuffrouw URSULA STERN, geboren 28 Augustus 1926 te Stelle bij Essen
Voormalig adres: Voorstraat 85 te Utrecht
Huidig verblijfadres (nov. 1945): “Tehuis voor Palestinapioniers”, Zutphensestraatweg 108 te Apeldoorn
Opgenomen door: ir. R.C. Broek en Mejuffrouw A. Timmenga van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie te ‘s-Gravenhage
Datum verklaring: Apeldoorn, 13 November 1945

Mejuffrouw Stern verklaart:

Nadat ik ongeveer zeven maanden was ondergedoken in Utrecht ben ik daar op 21 Januari 1943 gearresteerd en naar het politiebureau overgebracht, waar ik drie dagen heb gezeten om vervolgens naar de Amstelveenseweg te worden vervoerd voor een verblijf van een week.

Met het tweede transport, dat naar Vught ging, ben ik meegegaan en kwam in een kamp, dat nog lang niet klaar was. Tot 1 April ben ik hier gebleven, toen weer doorgegaan naar Westerbork en op 6 April op transport gesteld naar het Oosten, met onbekende bestemming.

Wij dachten eigenlijk, dat wij naar Birkenau zouden gaan; in ieder geval wisten wij niet, dat we in Sobibor zouden belanden.

Wij werden daar door SS opgewacht. De bewaking bestond hoofdzakelijk uit Oekraïners; er waren zeer weinig Duitsers, in het geheel ongeveer een vijftig SS-ers, waarvan er zich vijfentwintig in het kamp bevonden en vijfentwintig met verlof waren. Verder waren er alleen die Oekraïners, die nog niet eens pro-Duits waren, daar hadden zij geen besef van er waren er zelfs al veel van deze groep weggelopen.

Aufseherinnen waren er niet, vrouwelijk Duits personeel heb ik er nooit gezien. Wij werden meteen geselecteerd. Ouden van dagen en zieken gingen direct op lorries en de andere mensen moesten linksaf naar een grote barak, waar ze alle bagage moesten neerleggen. Later hebben wij in deze barakken gewerkt. Er achter stonden SS-ers, die ons geselecteerd hebben en ik werd met een stuk of vijftien meisjes uit het transport gehaald, evenals een groepje mannen. Wij hebben daar ongeveer een half uur moeten staan tot het hele transport weg was en zijn daarna verder het kamp binnengebracht.

De Duitsers hebben tegen de mensen, die naar de gaskamer zouden gaan nog een speech gehouden, dat ze niet hoefden te denken, dat ze konden luilakken; zij zouden hun wel eens leren. De trein voor de Oekraïne stond klaar en daar zouden ze heen worden gebracht om te werken, maar eerst moesten ze nog een bad nemen……..

Van de mannen hoorden we later wat zich hier afspeelde, ze kwamen n.l. verder het Lager in, daar zij de vrouwen moesten knippen.

De gevangenen, die in het vernietigingskamp werkten mochten met ons echter geen contact hebben, maar het eten werd wel in één keuken gekookt. Dit werd dan door de jongens naar de poort van het derde Lager gebracht, zij moesten dan weggaan en daarna werd het binnengehaald. Op een keer, toen er juist een transport was aangekomen, zijn zij door het hek gegaan en er nooit meer uitgekomen.

De Duitsers leefden altijd werkelijk in de veronderstelling, dat wij niet wisten wat er gebeurde en waren bang, dat wij, als wij het zouden weten, misschien weg zouden lopen!

Wij hadden een kampoudste en ook waren er allemaal Capo’s die aardig sloegen, dat waren Joodse Capo’s. Er waren helemaal geen ariërs in het kamp, alleen dan die Duitsers. Sobibor was zuiver een Joods kamp.

Ook in het derde Lager waren dus allemaal Joden en ik weet, dat zij, als zij ongeveer drie maanden daar hadden gewerkt, ook werden vergast, maar wij hoorden, dat zij zelf van te voren meestal een eind aan hun leven maakten.

’s Morgens om vier uur was er appèl in het Block waar we werkten. De verdeling was als volgt: de handwerkslieden, die in het Lager 1 werkten hadden een apart Block, het buitencommando had een apart Block, de meisjes en de mannen uit de schoenmakerij eveneens. Block voor Block gingen we dan weg. Het is eigenlijk nooit zo geweest, dat zij ons, zoals dat in andere kampen is gebeurd, uren op appèl lieten wachten. Als wij dus aangetreden stonden voor werk-appèl gingen we naar het Block, waar we moesten werken.

Soms moesten we ’s avonds als we klaar waren wel eens zingen en als het dan niet mooi klonk, moesten we voor straf uren gymnastiek doen. Het appèl was nooit zo iets buitengewoons.

Er waren niet veel commando’s: het Bahnhof-commando, het buitencommando, de mannen die in de sorteerbarakken en schoenenmagazijnen werkten en dan wij, de meisjes. Met zo’n commando ging een Capo mee, altijd een Jood en daarnaast natuurlijk nog posten. Als je op het werk aankwam, werd je geteld, dan moest je werken en als je wegging werd je weer geteld en in het kamp weer eens. Ik werkte bij het commando van de mensen, die de bagage sorteerden.

Het eerste commando waren de handwerkers, daar achter waren de mensen, die in de moestuin werkten. Het tweede Block bevatte het Aussencommando, de mensen, die naar het bos gingen om bomen om te hakken en hout te zagen, want wij hebben daar n.l. nog barakken gebouwd, in de tijd toen er haast geen transporten meer aankwamen. Na de Hollandse transporten kwamen nog de Russische, die echter lang niet zo regelmatig als de eerste binnenkwamen. Wij hadden toen niet veel meer te doen, moesten ook barakken bouwen. Eerst moesten de bossen opgeruimd worden en daarna moesten de barakken er worden opgericht. Dit werk werd normaal gedaan door het Bahnhof-commando, het lievelingscommando van Oberscharführer Frenzel, die over het arbeidskamp ging. De kampcommandant van het kamp zelf ken ik niet. Frenzel mocht de mensen uit het Bahnhof-commando graag, zij mochten niet geslagen worden. Zij hebben die barakken gebouwd, waarin – naar ons altijd verteld werd – tweeduizend Joden zouden komen, die daar zouden blijven, maar niemand heeft het ooit geloofd. Er was bij ons toch helemaal geen verwachting, dat wij er ooit uit zouden komen, er was wel een vanzelfsprekendheid, dat wij ons, als wij doodgeschoten zouden worden, zouden verzetten. Dit was heel anders dan in Auschwitz. Er waren jongens in het kamp, die daar uit de buurt kwamen. Dat kon je je niet voorstellen. Je had idee, dat je mijlen en mijlen van de wereld afzat en dacht werkelijk niet die nog ooit terug te zien. Toen wij weggelopen zijn, heb ik dan ook helemaal niet de gedachte gehad dat ik vrij was.

Bij die barakkenbouw moesten wij later ook helpen en toen de kleren weg waren en de magazijnen opgeruimd, werd alles gesloten. De Scharführers pakten hun koffers en wij begrepen zo ongeveer dat dat het einde was.

Een van de Scharführers uit de schoenenbarak die met verlof ging – verder helemaal geen buitengewoon aardige man – heeft toen tegen ons gezegd, dat wij er over twee dagen aan zouden gaan en raadde ons aan te vluchten. “Wij hebben toch geen hulp”, zeiden wij, maar hebben het toch gedaan.

’s Morgens kregen we gewoon brood met zwarte koffie, ’s middags soep en ’s avonds weer koffie. Wat de voeding betrof hadden we het niet slecht, want we hebben natuurlijk steeds gegeten van de levensmiddelen, die de transporten meebrachten. Soms, toen we om vier uur op moesten staan, hadden we van twaalf tot drie vrij en werkten dan weer van drie tot zeven, dan hadden we twintig minuten pauze, en daarna moesten we de tuin begieten of iets dergelijks; er was altijd wel wat te doen.

Zondagmiddags hadden wij vrij, maar dan was er meestal ook wel weer het een of ander en ik geloof, dat we de hele tijd, maar één Zondagmiddag werkelijk rust hebben gehad.

Eén keer heb ik een transport zien aankomen. Wij mochten kijken en als je per ongeluk een familielid zag, dan mocht je die er wel uithalen, maar meestal vroegen wij dat niet eens, want wat hadden ze er aan, daar nog een half jaar te moeten zwoegen? Wij hebben die mensen dan ook altijd benijd. Ik herinner me ook, dat het kindertransport uit Vught is aangekomen, dat zagen we aan die rugzakken. Uit dit transport zijn geen mensen gehaald, dat weet ik heel zeker, want als dat was gebeurd, hadden wij hen zeker gezien en wij merkten pas, dat het een Vught-transport was uit de briefjes, die in de rugzakken zaten, waarop stond, wat men deze mensen in Vught had verteld, n.l. dat ze naar Riga zouden gaan.

Iedere vrijdag kwam er een Nederlands transport, dat konden wij natuurlijk zien aan de goederen die aankwamen. Ieder transport, dat aankwam, moest direct na aankomst schrijven, wij hebben ook tweemaal geschreven onder de afzender Wlodawa. Wlodawa was een arbeidskamp voor Poolse Joden en lag ongeveer acht kilometer verder. Het was geen vernietigingskamp en er zaten geen Hollanders. Wlodawa is begin 1943 geliquideerd en het Bahnhof-commando is twee maanden, nadat wij in Sobibor waren gekomen, er heen gegaan om het Lager op te ruimen. Het was eigenlijk een soort kamp waar de Poolse Joden werden samengebracht om dan later te worden doorgezonden.

Wij droegen geen streepkleding, wij konden door ons werk aantrekken wat wij wilden. Wij moesten er wel altijd erg netjes gekleed gaan, want als je een vlek op je jurk had kon je teruggestuurd worden. Er was een magazijn op het terrein van ons kamp. Het kamp zelf was erg schoon; wel hebben we veel luizen gehad, want we kregen die barakken uit Duitsland gestuurd. Ze werden wel uitgespoten, maar de wandluizen bleven er in. Na mij zijn er nog meer mensen uit de transporten gehaald en later werden wij met twee en zeventig Hollanders. Toen ik kwam, waren er al Nederlanders in het kamp, ca. veertig man, die veertien dagen nadat wij er waren, geprobeerd hebben opstand te maken en toen zijn doodgeschoten. Toch zijn er daarna nog Hollanders uit de transporten gehaald, waarbij ook twee Hollandse doktoren waren. Het kan zijn, dat bij diegenen, die doodgeschoten zijn ook de Hollanders waren, die Ticho in zijn rapport bedoelt – M. van Dam is er per ongeluk aan ontkomen, doordat hij met een Frans transport was gekomen en dus als Fransman stond ingeschreven. Hij had een reuze mooi atelier, waar hij met nog een Duitse schilder zat te werken en waar hij Himmler ook eens geschilderd heeft. Die is daar speciaal een paar maal voor hem wezen poseren. Toen hij eens in het kamp was, moesten een paar mensen voor hem vergast worden en hij heeft door het luikje er naar staan kijken hoe dat ging. Erg rustig had van Dam het overigens niet, want de Duitsers kegelden altijd in het verlengstuk van het atelier. Een meisje dat bij ons was, Deetje van Straten uit Amsterdam, de helft van een tweeling, moest ook altijd die Duitsers en zo schilderen.

De gevangenen uit het kamp waren van allerlei nationaliteit. Er waren Fransen, Belgen, Russen, Polen, Duitsers, Nederlanders en ook een Zwitser uit Zwitserland afkomstig, die met een heel transport uit dat land is binnengekomen. Het was werkelijk een Zwitser, hij kwam regelrecht daarvandaan.

Geestelijk leven? Ja, er werden wel godsdienstoefeningen gehouden en er waren dikwijls mensen, die als ze geen Joods eten kregen, niet aten. Wij hebben van het werk dikwijls boeken meegenomen, maar die werden altijd direct weer afgenomen. In de rugzakken zaten n.l. veel boeken, maar het was streng verboden ze in de barak te hebben.

Muziek werd er wel wat gemaakt, er is viool gespeeld en de meisjes deden soms onder elkaar wel iets om zich te verstrooien, maar je had nergens rust om te gaan zitten en het stonk overal naar het verbranden van de lijken. Het mocht trouwens ook niet, maar op bed werd er wel veel gedaan.

Vooral onder de Hollanders bestond een goede verstandhouding, onder de Polen was die ook heel aardig, maar tussen die twee boterde het niet erg.

Ik ben ervan overtuigd, dat die Polen door de omstandigheden zeer immoreel waren; zij hebben tenslotte nooit vrij geleefd. Een Pool heeft nooit de gelegenheid gehad met eerlijk werken zijn brood te verdienen, dus hadden zij een heel andere mentaliteit gekregen dan wij. De Oost-joden verweten ons, dat wij geen Joden waren. Zij hebben gelijk ook. Welke Hollandse Jood kent de cultus? De Poolse Joden waren echte Joden, hun hele levenshouding was Joods, hun moraal stond op Joods peil en zij hadden heel andere verhoudingen van mens tot mens, dan wij gewend waren. Zij gingen gekleed in Joodse kleren, hadden geen gelegenheid gehad te assimileren. Zij hadden zich in Polen moeten vasthouden aan iets dat speciaal het hunne was en dan was hun God, hoewel hun geloof toch ook heel erg verstard was.

Ik spreek hier alleen over de toestand bij ons in het kamp en ik geloof niet dat de onderlinge verhouding tussen Polen en Hollanders bij ons zo slecht was als in Auschwitz. Bij ons was het zo, dat de Polen ons belachelijk maakten, omdat wij niet zo goed konden werken als zij. De Polen waren zeker flinker dan wij, zij hadden veel meer levenslust; de Hollanders waren na veertien dagen al gedemoraliseerd, ze schoren en wasten zich niet meer en gingen dan zienderogen achteruit.

De opstand ging eigenlijk uit van de Russische Joden, die hebben direct toen ze kwamen die stemming er ingebracht en de Polen hebben eigenlijk het hele plan een beetje meer overdacht en iets op touw gezet. Ik herinner me, dat toen we een avond bij elkaar zaten een van de Polen zei: “Voor mijn part sneuvel ik, als er maar een van ons uitkomt”. Hun band was hechter maar zij hadden een wrok tegenover ons.

Ik kan me ook wel voorstellen, dat Joden, die waarde hechten aan hun geloof, iets hebben tegen Joden, die niets of weinig aan hun geloof doen. Er staat tenslotte in de Bijbel dat Joden, die zich niet zullen houden aan hun geloof andere zullen belasten en ik kan me indenken, dat zij ons zagen als de oorzaak van het kwaad dat hun overkwam. Het was moeilijk met hun om te gaan, ze waren zo gedemoraliseerd.

Ik ken een paar mensen van ons werk in Frankrijk, die daar nu in een huis zijn waar tweehonderd tot driehonderd Polen zitten. Met zijn vijven moeten ze alle werk doen, want als de Polen iets gevraagd wordt, zeggen ze: “Wij willen niet meer werken.” Langzamerhand zullen ze geloof ik weer de idee krijgen dat ze niet werken als slaaf, maar voor hun eigen belang.

De verstandhouding was groepsgewijs, dus wel goed. Wij waren maar met weinig Nederlanders en zo’n beetje op elkaar aangewezen. Er was ook regelmatig contact tussen mannen en vrouwen. Wij waren tenslotte maar met ruim tweehonderd mensen in het kamp, te weinig om een streng gescheiden mannen- en vrouwenkamp te maken. Er waren veel meer mannen in het kamp, ongeveer tweehonderd en maar zeventig meisjes. Aan het eind waren er minder, want toen waren er velen uitgezocht, want als je ziek werd, werd je eruit gehaald. Een Revier was er niet. De mannen mochten helemaal niet ziek zijn, die gingen dan altijd meteen weg, maar de vrouwen nog wel eens een kleine tijd. Zo is mevrouw Engel eens twee à drie weken ziek geweest.

Toen kwam de opstand en ben ik weggelopen. Ik geloof niet, dat de andere Hollandse meisjes gevlucht zijn. Kitty Gokkes is er wel uitgekomen, maar vijf maanden na de bevrijding gesneuveld. Ik ben het hek overgeklommen, er lagen mijnen om het kamp, er werd van alle kanten geschoten en hierdoor zijn nog veel mensen gevallen. Ik hoorde aan alle kanten mijnen ontploffen, maar heb niet rondgekeken. Kitty, een Pools meisje en ik zijn toen samen gebleven. Het Poolse meisje heeft haar man teruggevonden, die bij de Poolse partizanen was en daarbij hebben wij ons ook aangesloten. Die tijd na de bevrijding viel me helemaal niet mee, ik vond het erger dan het kamp, het was vreselijk. Ik was bij een Joodse groep; die mensen gingen iedere keer werken en zij gingen ook dikwijls naar huis. Wij vormden eigenlijk de stoottroepen van de Russen; het was een heel georganiseerd leger met generaals en zo en de groepen kregen ook steeds opdrachten, die ze moesten uitvoeren. Het was ontzettend koud. Wij hebben zes maanden, van Oktober tot Maart, zo maar in ijs, sneeuw en regen geslapen. Daarna ben ik meer in de dorpen gekomen bij de actieve groepen. Ziek ben ik in die tijd nooit geweest, alleen had ik iets aan mijn voeten. Als ik nu aan deze tijd denk, lijkt het me net een sprookje.

Apeldoorn, 13 November 1945

Archiefaantekeningen en kanttekeningen op het originele brondocument:
• Pagina 1 (rechtsboven): Handgeschreven notitie “Stern, Ursula”
• Pagina 5 (linkermarge): Handgeschreven nummer “7177”
• Pagina 7 (linkermarge): Handgeschreven aantekeningen “Eda Lichtman” en “terug”
• Pagina 7 (rechtsonder): Handgeschreven dateringsvraagteken “1947?”